Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Spr. : Een man gelijk een boom, kloek en groot. De honderdste man verstaat dat werk niet, niemand. De kleeren maken den man. Men kent den man niet aan zijn kleeren, schijn bedriegt. Een schoon leven is geen man, zeggen veel jonge dochters. Den man maken met andermans geld, den heer uithangen. Onder den man loopen, bereden worden, van peerden gezeid. Iemand man kunnen , iemand meester of baas kunnen. Zijnen man kunnen, bij de kinderen. met zijne non eene andere uit het kot kolven. Zijnen man staan, zich weten te verdedigen, niet onderdoen in gevecht, spel, enz.; zijt gerust, ik zal mijnen man staan. Iemand een manneken minder oimin maken, iemand om hals brengen. Ik isas bijkans een manneken min, was bijkans dood. Dat zijn gemaakte mannekens, kale uitvluchtsels. Man voor iets zijn [ook van vrouwen), iets durven. Den lesten man den zak opgeven, den laatste in de herberg, in eene vereeniging blijven U man over iets zien, iets kunnen, U geen man over iets zien, iets niet kunnen. Gaat gij dat huis niet koópen ? Neen. ik zie er mij geenen man over : ik en heb geen geld genoeg. U man over iemand zien, in 't vechten , iemand meester kunnen. Leven gelijk man en vrouw, vivre maritalement. Een man zijn-, in iets goeds uitmunten; onze pastoor is een man, die helpt de arme menschen. Mans genoeg zijn, i° volk gegenoeg , in voldoende getal; — om dien boom te verleggen zijn wij ons gedrijen mans genoeg. 2° durven ^ - die straatjongen is mans genoeg om ons mijt in brand te steken, als ge hem geenen eens geeft. De man van hierboven . God. De man zijn, veel te zeggen hebben ; — de schoolmeester is de man bij den burgemeester. Meenen de man te zijn, iets bijzonders te zijn, zich te doen gelden. De man niet zijn, geschikt zijn ; — Karei is de man niet om daarin te gelukken.

Gemeenzaam , vriendelijk toevoegsel, in de samenspraak v.iu manspersonen en kinderen, alleen of achter eigennamen gebezigd. Ja, man, zoo ben ik gevaren. Wel ! Pier man , hoe zijt gij hier geraakt ? C.

Ook jongen, kind, meisen, meisken, mensc/i, en schaap.

-- Plaatsvervanger voor den soldatendienst, remplacant. C. D. Nen man koopen. Die niet stort, en heeft geenen man en moet zelf opgaan. = &laat, speelmakker. C. Wij komen nog'nen man te kort om te jassen-.

Ook de kinderen zeggen ; Wij zijn al mannen genoeg.

--= Voorwerp waar men mede speelt. Er ligt vier man op de baan (in bolspel). Er ligt een man in 't kot (in 't nonnen).

— Streep op een slecht gewitten muur. Jan en kent zijnen stitl niet; z,et eens hoeveel mannen er op die muren staan.

= Namaaksel van eenen man. In de hoven zetten ze 'nen man om de musschen te verschouwen.

Dikwijls hangen ze 'nen man in 'nen boom die dicht tegen het huis van'nen vrijer of eene vrijster staat , wanneer de andere met iemand anders trouwt. Een vlieger heet man. als hij de gedaante van "nen man heeft.

— Donkere man. ~ Z. Donkerman.

- Mannelijke vogel. C. De man is gestorven en 't popken zit te treuren.

— — Lid ; aanhanger. De mannen van het gildenhuis. De mannen van den Burgemeester hebben gevochten tegen die van den eersten Schepene.

MANDE, z. nw., vr.. = Mand.

Spr. : Deur de mande vallen, mislukken.

— Van onder de mande lezen. Een spel om iemand eene poets te bakken. Een jongen kruipt onder eene mande, een andere doet alsof hij in een boek leest, een derde gaal eenen emmer water halen en giet dien over de mande, terwijl de lezer altijd voortleest. Die er onder zit, haast zich om van onder de mande te loopen.

MANDEKENS, z. nw., o.. — Z. Kor/kens.

MANDEL, z. nw., m.. - (Boer) Hoop graan van 12 tot 14 schooven, "die tegeneen rechtgesteld staan op den akker om te drogen. C. D. S. R. K. mergel es duodecim.

Ook man en mangel.

Zuidned. bij V..

Z. Verdam.

MANDELEN, werkw., overg.. — In mandeis zetten, stuiken. D. T. R De schooven mandelen.

Z. Verdam.

MANDUS, z. nw., m.. — Amandus verkort.

MANE , z. nw., m.. — Emmanuel verkort. R.

MANENBLUSSCHER, z. nw. , m.. — Spotnaam, inwoner van Mechelen. S.

MANESCHIJN, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : 't Is maneschijn, op eenen kaalhoofdige. /

MANGEL, z. nw., m.. - Z. Mandel. S.

MANGELEER (zware e), z. nw., m., = Die veel mangelt.

Spr. : (Bij kinderen) De mangeleers kommen in den hemel niet.

MANGELEN, werkw., overg.. — Z. Mandelen.

MANGENEEREN, werkw., overg.. = Inbeelden. Ge mangeneert u dat de menschen op u kwaad zijn.

MANGENIE, z. nw., vr.. = Inbeelding, imagination.

MANKEEREN. werkw. overg. en onv. (hebben).

— Z. W db.. Dat kan niet mankeeren. Wat mankeert er hem ?

— — Missen. C. R. Den trein mankeeren.

Sluiten