Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MARiKT, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Ook mei kt.

Spr. : Een mensch is wijzer naar de merkt als veur, ondervinding leert. Hij is van alle markten te huis gekommen, van iemand die veel ondervonden heeft. De markt afrijden , wnggaan , zich van kant maken, wegloopen. Op 't einde van de maikt, op 't einde van de rekening, au bout du empte; ge zegt mij altijd : wij moeten niet sparen, en op't einde van de merkt zal 't zijn : vrouw, wij komen niet toe. Iemand de markt ajzenden , wegzenden. Ge zult weten waar het markt is, zult berispt, gestraft worden. Die de markt gezien heeft en den pastoor zij'nen rtig, kan niet meer werken. wordt gezeid door iemand wien men /egt ; gij zijt zoolang op de markt gebleven. Zij gaat naar de markt van heur achtste kind, ze gaat voor de achtste maal moeder worden. Iets onder de mat kt verkoopen, voor te lagen pr ijs. De merkt afgaan, ten onder gaan in fortuin, gezag ofgezondheid. Het onder de markt niet hebben, het zeer lastig hebben, het duur moeten verantwoor den. Boven de markt vragen, meer dan den gewonen prijs.

MARiKjTGOED, z. nw., o.. = 'Waren die men op de markt koopt. Marktgoed kost niet veel, maar 't is meest altijd ook van gemeene soort.

Z. Verdam.

MARlK TSCHOEN, z. nw., m.. = (SchoenmJ Grove schoen die meest op de markt verkocht wordt.

Bij D. marktschoe.

MAR K)TWEGEL, z. nw., m.. =■ Binnenweg dien de boeren en boerinnen op zekere dorpen volgen om naar de markt der stad te gaan.

MARMOT, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

— Schimpnaam op vrouwen. Vuile marmot.

MARODE, z nw., vr.. — Op {zijn) marode gaan, op zwier gaan. S.

Bij V. : « Zuidn. strooperij. »

MAROLLE. z. nw , vr.. = Zuster die tot de maricoltn behoort. C. S.

Ook mcrrolle.

Bij D. marullt.

MAROLLEKEN, z. nw., o.. = Kort dik meisje

MARREBOL, z. nw., m.. — Z. Marbol. C.

MARREBOLLEN , werkw. onov., (hebben), onsch.. = Met de marmels spelen, 't Is nu de tijd van te marrebolien.

MARS, z. nw.. m . = Mars, planeet.

Spr. : Als ge zaait op de uur van Mars (als Mars schijnt), hebt ge niet anders als masschel, zeggen sommige boeren.

MARTEEL, (scherpe e), z. nw., m. = Hamer die door de zwing zit en deze aan den wagen verbindt. D. S. K. malleus jerreus temonis.

— = Hamer die den schakel waar het haamschijn aan hangt, aan den plo?g verbindt.

Ook merteel en ploeghamer.

Bij V. : c< (Zuidn.) hamer. »

Z. Vt'rdam.

MARTEGAAL. z. nw., m.. = (Schipp ) Zware houten of ijzeren staander die onder de boegspriet van groote zeeschepen geplaatst is. De marten aal dient om de zware touw die van het schip naar het uiteinde der boegspriet loopt, sterk aan te zetten.

MARTEKO, z. nw., m.. - Z. Wdb..

Ook merteko.

Spr. : Ge moet geen oude marteko's leere7i muilen trekken.

MARTELEER (z ware e), z. nw., m.. — Z. Wdb..

— = Zieke , die veel lijdt.

Spr. : Lijden glijk een marteleer.

— = Iemand die sukkelt, moeilijk vooruitkomt in 't een of in 't ander werk. C. D. R.

Spr. : Ons Heer is mee zijn marteleers. Z. God.

Ook merteleer.

De beenen van den marteleer. naam van nummer ii in het kienspel.

MARTELEERSBLOM, z. nw., vr.. — Z. Mariaswijwaterpotje en Koolken vuur.

Ook mtrteleersbloem.

MARTELEN, werkw., onov.. [hebben). = Veel lijden, ziek zijn. S. Hij martelt al drij jaar mee een ziek been.

— Sukkelen, veel moeite doen. C. D. S. R. Ik martel al een uur om dien knoop los te krijgen, maar't is al verloren.

Gewest bij V..

Ook mertelen

MARTELIE, z, nw., vr.. — Materie, etter. O.

Ook mertelie.

MARTEN, = Martinus. Z. Wdb..

Spr. : De pijp aan Marlen geven, het opgeven, de zaak laten varen. Weten waar Marlen zijnen wijn tapt, slim zijn. Hij is van achter Sinte Marten, hij heeft van Sinte Marten , heeft het koningszeer.

MARTEN, z. nw., m.. = Vierkante groote ijzeren hamer.

MAS, z. nw., vr.. = (Pottenbakk.) Rol potaarde waar de potten van gemaakt worden.

Ook walk.

MASALE. MASALIE, z. nw., vr.. - Z. Mesale.

MASALEPUT, MASALIEPUT, z. nw., m.. — Z. Mesale put.

MASALE WATER. MASALIEWATER, z. nw., o.. —Z. Mesalewater.

Sluiten