Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij eene groote kans die men in 't spelen, in 't koopen enz. waagt, zegt men : ridder of meersman, mantel of maal, al of niet. Z. ook Meers.

Z. Verdam.

MEERT (zware e), z. nw., vr., = Maart. C. K. Martius mensis.

Spr. : Meert mee zon aan den heerd. De boer komt des avonds in de Meert te huis, als de zon nog schijnt. De maand Meert heeft venijn in den steert. Een drooge Meert en een natte April brengt alle boerenschuren vol. Een drooge Meert is goud weerd, als 't in April maar regenen wil.

MEERTEKEN (zware e), z. nw., o.. — Z. Matchen.

MEER(T)SCH (zware«), bijv., nw.. = Maart. De meertsche buien.

— Meertsche haan , slechte haan.

— Meertsfh kieken, vroege hoen. K. pullus martius.

Spr. : Meertsche sneeuw is voedsel op 't land. Meertsche knoopen, Aprilsche aren en Meisch bloeisel.

MEER(T)S(CH)E REGEN. z. nw., m..=(Kruidk.) Sterleverkruid, Asperula odorata, asperule odorante, muguet des bois, fam. Rubiac..

Ook motblom.

MEERTSNEEUW, z. nw., m.. - Sneeuw die in de maand Meert en vooral op het feest van Sint Jozef valt. Gesmolten, zegt men, is hij goed voor de oogen.

MEESLAGEN, werkw., onov. (zijn). — Gunstig zijn. C. D. T. R. Als 't weer meeslaagt, zullen wij dees jaar veel fruit hebben.

MEESTER, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : De groote meester, God. Beter kleine meester als groote knecht. Die meester is, heeft veel te zeggen. Nieuwe meesters, nieuwe wetten. Zijnen meester vinden, met iemand handelen die u in verstand, in behendigheid enz. overtreft. Het werk wilt zijnen meester zien. Die met een peerd uitgaat, gaat met zijnen meester uit. Met zijnen meester uitgaan, spelen met iemand die bijna altijd wint. Er zijn altijd meesters boven meesters, iemand vindt altijd eenen kundigere dan hij.

— Iemand meester kunnen, iemand kunnen overtreffen in 't vechten, in 't spelen , enz. C. D. S. T. Hij en dierf niet vechten , want hij kan mij niet meester.

— = Veearts. C.

MEESTEREN, (aan) werkw., onov. (hebben). — Artsenij toedienen. V. C. S. K. De doctoor meestert al drij jaar aan mijn vader. Uw oog is nog niet beter, hebt ge er al aan gemeesterd ?

— = overg. Al vechtende overwinnen, meester kunnen. Willen wij eens zien of ge mij kunt meesteren ?

MEESTERMAKER ,MEESTERMAN, z. nw.,

m.. = Iemand die geerne gebiedt en over anderen heerschen wil.

MEESTES (klemt. op«), z. nw., vr.. = Meesters, meesteres, .onderwijzeres. C.

— = Vrouw van den onderwijzer.

MEET (zachter, kort uitgespr.) z. nw., o.? = Meter. Mijn meet geeft mij op nieuwjaar altijd tien frank.

MEET (scherpe e), z. nw., vr.. = Kerf in den bek vaneenen pijl. C. S. K. meete.j. kerf = erena. Ook mik.

— Op meeten trekken, hier en daar met de spade een slootje maken , om het land beter uit te wateren.

MEET (zachte e), z. nw., vr.. = Lijn. C. D. Hij trok een meet en zei : komt hierover als ge durft.

— Een meet hebben (in 't nonspel) is met de non juist op de meet kampen ; in 't meetjeschieten en het steksteenen is het juist op de meet liggen met de stuiver of den steen ; in andere spelen is 't een spel verloren hebben : die een spe! verliest , krijgt iederen keer eene meet of schreef.

MEETEN, werk., onov. (hebben). = (Boer) Meeten trekken. S. Z. Meet. 20.

— = (Bij boogschutters) Met den pijl beproeven of de plaats waar de meet moet staan juist overeenkomt met de plaats van den boog.

MEETJE, z. nw., o.. = Meter. D.

— = Grootmoeder. S.

Zuidned. bij V. voor beide beteekenissen.

MEETJELAP, z. nw., o.. — Zij die bij den doop de plaats vervangt van de eigenlijke meter. D. S.

Bij S. ook meterlap.

MEETJESCHIETEN (zachte e), werkw., onov. (hebben) sch.. —Spel. Soort van steksteenen waar hij die dichtst bij de meet ligt, met al de centen mag opwerpen en de koppen voor zich houden.

— Z. Doezen.

MEETJESLAND, z. nw., o.. = Streek van Oost-Vlaanderen die aan West-Vlaanderen en Holland paalt, vroeger pays des quatre métiers. D. S.

MEETJESLANDER, z. nw., m.. = Inwoner van 't Meetjesland. D.

MEETMACHIEN (zachte e), z. nw., o.. == Machien waar men de stof mede meet.

MEETWIJFELEN, werkw., overg.. — Medelokken. Hij heeft hem deur slechte gezellen laten meetwijfelen.

MEEVAL, z. nw., m.. — Nen meeval hebben, gelukkig zijn. C.

MEEVALLEN , werkw,, onov. (zijn). = Lukken, gunstig uitvallen. S. Als 't weer meevalt, zal 't een schoon feest zijn.

Z. Verdam.

Sluiten