Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MELIA, z. uw., vr.. — Amelia verkort.

MELK, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo wit als melk. Hij heeft niet veel in de melk te brokken, weinig fortuin.

— Melksken drinken, soort v;in streeling met de hand onder de kin van een kind. C.

MELKACHTIG, bijv., nw.. — = Van melk houdend. C. Ik en ben niet melkachtig.

= (Boer) Veel melk gevend. Die koe schijnt er mij melkachtig uit.

= Te wit van kleur, van het vlas gezeid. Ons vlas is melkachtig.

MELKBEEST, z. nw., vr.. = Melkkoe. R.

MELKBLAD, z. nw., o.. = (Kruidk.) Funkia

albomargmata , hemerocalle a feuillcs marginèes, fam. Liliac.

Ook witte salade.

MELKBLEEK , bijv , nw.. =Zeer bleek,

MELKBOER, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Op 'nen advokaat gelijken gelijk de duvel op

nen melkboer, scherts

MELKEEMEK, z. nw., m.. = Melkemmer. D. K. muietra.

MELKEN, werkw., overg.. —Z. Wdb..

— Duiven, konijnen , bieën melken, houden en kweeken. D.

— onov. [hebben). Eene koorde aanhalen en intrekken.. D. De jongen zag dat zijn vlieger deur den regen nat wierd en begost te melken.

MELKER., z. nw., m.. = Manneken van den haring. S.

Bij D. melke; bij S. ook mulker.

Gewest, bij V..

MELKJACHT, z. nw., vr.. — Z. Hef.

MELKKEBBEN, MELKKEPPEN, z. nw., o.. = (Boer). Koperen kom dienende vooral om melk te scheppen.

MELKKIET, z. nw., vr.. — Z. Kiet.

MELKKOE, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Geven gelijk een melkkoe, veel.

MELKKUIP, z. nw., vr.. = Vat waar de botermelk in bewaard wordt. D.

Spr. ; Dat peerd heeft de melkkuip opgeslikt, is zeer mager.

MELKMAiDE) , z. nw., vr.. = Made die in de huid der koeien, vooral der weikoeien zit.

MELKNETEL, z. nw., m.. — Z. Doove tingel. D.

MELKPUT, z. nw., m.. = Ieder der putten die aan 't einde van de meikaders naar de voorste beenen der koe liggen. Hoe grooter melkputten , hoe beter baatbeest.

Ook melkvat.

MELKSALA DE), z. nw., vr.. = (Kruidk.)Ganzedistel, Sonchus, verscheidene soorten, laiteron, fam. Comp.. D. melkwied.

Ook meikwee en melkwiet.

MELKSCHOTEL, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : levers gezocht worden gelijk een hond aan de melkschotel, scherts.

MELKSPIECHEL , z. nw., m.. — Z. Spiegel.

MELKSTOEL , z. nw., m.. = (Boer) Houten stoel zonder leuning op drij pikkels, bij het melken gebruikt. C. D. S. R.

MELKTEEL (scherpe*), z. nw., vr.. = (Boer) Groote, diepe, aarden schotel waar men de zoetemelk in liet runnen. S.

Bij C. D. en R. melkletl, bij S. ook melkteil.

Spr. : Een buik gelijk een melkteil.

MELKTINGEL , z. nw., m.. — Z. Doove tingel. D.

MELKVAT, z. nw., o.. — Z. Melkput.

MELK WEE (scherpe e), MELKWIED, z. nw., . vr.. — Z. Melksalade. D. K. melkweye, sonchus.

MELKZIJ(G), z. nw., vr.. = Melkzeef.

Bij D. melkzie.

MELODIJ, z. nw., vr.. = Lust, genoegen. D. Dat is een melodij alzoo des morgens vrij in 't groen te wandelen.

Z. Verdam 2).

MELSEN, z, nw., o.. = Melsele,dorp van het Land van Waas.

MELSENAS, z. nw., vr.. == Vrouw of meisje van Melsele.

MELSENEER (zware e), z. nw., m.. = Man of jongeling van Melsele.

MEMSTER, z. nw., vr.. = Voedster, zoogvrouw C.

MEN, pers., voornw,. = Wij. Willenmen naar huis gaan ?

Altijd aanleunend en zonder klemtoon gebezigd.

Z. Spraakl., bladz. 26, nr i3.

Bij C. en D. me.

MENBALK, z. nw., m.. = (Boer) Ieder der vier hooge stijlen die men op de vier zijden van de karre of den wagen zet, opdat het hoog geladen graan of hooi niet afzakke.

MENDEUR, z. nw., vr.. = (Boer) Schuurdeur die uitweg geeft op de straat. S.

Gewest, bij V..

MENE, z. nw., vr.. — Z. F iele.

MENGELING, z. nw., vr.. = (Brouwer) Hoeveelheid gemalen graan voor eene enkele brouwte.

Ook mingiling.

MENHEER (men toonloos), z. nw., m.. = Mijnheer. Daar komt een menheer in den winkel.

Sluiten