Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MOEDERMADELIEF, z. nw., vr.. = (Kruidk.) Bellis perennis, var. prolifera, mère de familie, mère Gigogne, fam. Comp..

Ook moeder van zeven kinderen.

MOEDERNAAKTE VROUWEN, z. nw., vr.. meerv,. — Z. Arme Claren. D.

MOEDERPIJP z. nw , vr.. — Z. Keuningspijp.

MOEDERPLAAT, z. nw., vr.. = (Bieman) Plaat, gewoonlijk van zink, waarin openingen gemaakt zijn om er de werkbieën , niet de koningin, te laten doorloopen.

MOEDER VAN ZEVEN KINDEREN, z. nw., vr.. — Z, Moedermadelief.

MOEDERZIELIG, bijw.. — In de uitdrukking moederzielig alleen , gansch alleen.

MOEDTE, z. nw , vr.. = Vermoeidheid. D. K. labor, molestia. Ziek zijn van moedte.

MOEDWILLIGAARD z. nw., m . = Moedwillige mensch. C. S.

MOEËR. z. nw., vr.. = Moeder.

Wordt alleenlijk door eenige onbeschaafde lieden en dikwijls uit verachting gezeid.

— Z. Moer (Bie).

MOEF, z. nw., m.. = Vette mensch. D. Dikke moef.

Bij S. vr. : moef en mof.

vr. = Geweldige slag, boef. Iemand een moef geve n.

MOEF.z. nw., m.. = (Vogelj Groenvink, Ligurinus chloris, verdier ordinaire. C.

Ook ; aapvogel.

MOEFEN, werkw. onov. (hebben). = Al schertsende, slapen. Jongens, goen nacht, ik ga inoefen.

MOEIER, z. nw , m.. Moer. Een vijsbout met 'nen moeier.

Ook mooier.

— Z. Moer (Bie).

MOEIEREN. werkw. overg.. Schroefdraad maken aan eene ijzeren pin. Een vijs moeiëren.

Bij D. moeren.

MOEIERKUSSENS, z. nw., o., meerv., — Z. Kussens (Smid).

MOEIERPLAAT, MOEIERSCHEER (zware e) z. nw., vr.. = IJzeren plaat dienende om de moeren of vijzen te maken ,filière a vis.

Bij D. moerplaat.

MOEIERSLEUTEL, z. nw., m.. = (Smid) schroefsleutel.

MOEIERSTA AK , z. nw., m.. = (Smid) Houten staak eenen meter boven den grond aan welks hoofd er eene soort van schroef is waar de ijzeren staven tusschen gestoken worden, als zij van eenen schroefdraad moeten voorzien worden.

MOEITE, z. nw., vr.. — Z. Wdb.. Moeite doen Moeite hebben om aan den kost te geraken.

— 't Is de moeite niet, de moeite niet weerd. C. D.

MOEIT JE, z. nw., o.. — In de spr. ; Naar moeitjes (kreek) gaan , omkomen j sterven.

MOEL, MOELHAMER, z. nw.,m.. - Z. Leesthamer.

MOELIE. z. nw., vr.. = Bakkerstrog. C. S. K. mactra.

Zuidned. bij V..

Bij C. ook moei, mnl,mullie en muit; bij S. ook moei, moeille , moeide, mul, mulle en muld.

Z. Verdam.

MOEM. z. nw., vr.. = Grof, zwaarlijvig en eenigszins slordig vrouwspersoon. K. matertera.

MOEN, MOENE, z. nw., vr.. — Z. Moe. C.

Z. Verdam.

MOENE, z. nw., vr.. = Tas. Geef mij een moene kaffee.

— = Spijspot van gebakken aarde, blik of tin gemaakt en bestaande uit twee potten of kommen bij middel van zeker tuig aaneen en boveneen geplaatst; in de eene kom is de pap, in de andere zijn de aardappelen of de andere spijs. Men draagt zoo het eten aan den persoon van het huisgezin die verre werkt en des middags niet naar huis kan komen.

MOER, z. nw., o.. (niet vr.). = Droesem. Z. Wdb..

MOER, z. nw., vr.. = Moeder.

Alleen gebruikt in de uitdr. de duvel en zijn moer. Z. Duvel.

= Moederkonijn.

Gewest, bij V..

= (Bieman) Koningin. S. Men moet een jonge moer hebben om 'nen goeden zwerm te krijgen.

Ook moeè'r en moerbie.

MOERASPUT, z. nw., m.. Put met drabbigwater en dikke modder.

MOERBIE. z. nw., vr.. — Z. Moer, 2°

MOEREN, werkw. overg.. — Z. Wdb..

— onov. (hebben) = Twist stoken, ruzie zoeken.

MOERHOUT, z. nw., o.. = (Boom) De zware takken van eenen boom.

MOERSPIN, z. nw., vr.. = Spin die aan 't achterlijf een buidelken heeft waar zij hare jongen in draagt.

MOES, z. nw., vr.. = Laagste vogel in de doelschieting.

MOES, z. nw., o.. = Moerzeke, dorp dicht bij Dendermonde gelegen.

Spr. : Dat weten ze ie Moes ook, dat is uiterst klaar, dat verstaat iedereen.

MOES(CH), bijv. nw.. = Van Moerzeke. De Moesche patatten worden zeer vroe^ verkocht.

54.

Sluiten