Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MOESENAS, z. nw., vr.. = Vrouw van Moer- ' zeke.

MOESENEER (zware (), z. nw., m.. Inwoner van Moerzeke.

MOESKENS, z. nw., o., meerv.. = Dwaze complimenten, beslag. S. Ge moet zooveel moeskens niet maken.

MOESKENSKHUID, z. nw., o.. - Z. Koestront.

MOESKENSMAKER, z. nw., m.. Beslagmaker, windmaker.

MOESKOPPEN, werkw. onov., (hebben) , onsch.. = Pruilen. C. S. Die koppige jongen zit daar weer te moeskoppen.

MOET, z. nw., m.. (niet o.). — Z. Wdb.. 't Is een

moet. C. T. R.

MOET, z. nw., m.. (Schipp). Hoeveelheid water dat vóór den kop van een schip komt, wanneer het rasser vaart dan het water loopt. Van den moet van een schip komen de baren voort'die dan tot tegen den kant rollen. Hoe rasser het schip vaart, hoe grooter moet.

MOETEN, werkw. overg.. — Z. Wdb. Het moet nu omtrent acht uren zijn.

— Wordt veel gebruikt met een voorzetsel en gaan, loopen, vliegen, enz., onderdrukt. C. D. De dief moet naar 't'kot.. Hij moest over de Durme, en...de veerman was weg. Z. Kunnen.

— Er deur moeten , voor geene hinderpalen mogen wijken. C. D. Wij staan er veur en moeten er deur. Ook wij staan veur 't speur en moeten er deur.

Spr. : Moeten is bedwang en krijschen is kinderzang.

Duidt dikwijls iets voorwaardelijks aan. C. S.

Moeste de meester nu kommen , wij zouden aardig staan zien.

Drukt dikwijls een verlangen, een verzoek uit.

C. S. Ge moest, gelijk een brave, veur mij eens naar den winkel om een brooken loopen.

— Ik moet maar, het is mij voldoende. R. Hij moet mij maar zien om kwaad te worden.

— In plaats van moest, hoort men op sommige plaatsen mocht; en mocht in plaats van moest. Z. Mengen. C. S.

— (Van) moeten s , uit dwang, verplicht. C. T. Hij is dees week getrouwd , want het was (van) moetens.

— = Mogen. Ge moet niet peizen dat ik iets kan doen zonder dat hij het weet: hij ziet alles. Ge zoudt geren naar de kermis gaan, maar, als ge niet braaf zijt, verzeker ik u dat ge't mij niet moet komen vragen.

Z. Verdam 2).

MOEZELZAK , z. nw., m.. — Doedelzak. C. R. K. moesel, tibia utricularis.

Bij D. moesel.

MOFFEL, z. nw., vr. = Mof, manchon. D. K. manica hyberna.

Bij C. moefel.

Veroud. bij V..

Z. Verdam. .

= Stoffen duimeling of vingerling over een gekwetsten duim of vinger.

Ook moffeling en mujjtling.

= Slag , klap. R.

MOFFELING, z. nw., m.. — Z. Moffel.

MOFFELMAKER. z. nw., m. = Werkman die mpffels maakt, manchonr.ier. D.

MOK. z. nw. ?. — Alleenlijk als vergelijking : gelijk 'mok, zeer, ras, in groot getal. C..£)e kolen houden niet aan, ze vervliegen gelijk mok. Als de pest hier was , stierven de menschen gelijk mok.

Ook mot.

In het raadsel op de keers :

Mie maai mok Mee heuren witten rok,.

Hoe harder Mie maai mok liep , Hoe korter heure witten rok wierd.

MOK. z. nw., vr.. — Mop. D. S.

Spr. : 't Is een mok op een brood toe, meer dan men verwachtte.

— = Vlek die een ronden vorm heeft. Uw boek ligt vol mokken.

— = Slag. Iemand een mok geven.

MOKER, z. nw., m.. —Z. Breekhamer. V.

MOKKEN , werkw. onov. (hebben). — Pruilen. C. S.

Gewest, bij V..

MOKKENDEEG, MOPPENDEEG, z. nw., m.. = (Bakk.) Deeg gemaakt van roggebloem , siroop en suiker ondereengekneed.

MOL, z. nw., m.. — Z. Wdb .

Spr. : Dm mol onder iets steken, eene zaak bederven , verbrodden , gater une affaire; — sommigen hebben er den mol onder gestoken-, met vrijwillig op de vergadering te laat te komen. Zoo vet zoo doof, zoo blind, zoo zwart als een mol. Wroeten gelijk een mol. Dat past u gelijk eenen mol een paar leerzen, geenszins.

— Naam aan peerden en kleine zwartharige honden gegeven. C.

MOL. z. nw., m.. = (Ziekte) Gezwel op het bovenste van het hoofd der peerden. Somwijlen loopt het langs de manen voort. Het is veroorzaakt door slagen , door langdurige wrijving of drukken. Eerst is het gezwel hard, later wordt het zacht.

MOLDOOD, bijv. nw.. - Morsdood, steendood.

Ook piepdood.

Sluiten