Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MOLLEBARD, MOLLEBERD, z. mv„ o . = (Boer) Molbord, een vierkant getuig van hout en ijzer, zonder wielen, plat van boven, en van onder voorzien van eenen ijzeren schepbak , dienstig om te mollen , ravale. C. D.

MOLLEBARDKETING, z. nw., vr.. — Z. Molléketing. D.

MOLLEBLIND, bijv. nw.. = Ten volle blind, zoo blind als een mol.

MOLLEGELD, z. nw., o.. = Geld, gewoonlijk 5 centen, door den boer geschonken aan hem die eenen mol op zijn land vangt.

MOLLEKEI, z. nw., m.. = Zeer harde, effen, kleurige en glanzende kei.

MOLLEKEN, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo vet als een molleken, op een vet kind.

— Troetelnaam voor een klein mollig kind. C. S. R.

MOLLEKETING, z. nw., vr.. = (Boer) Ketting die aan het molleberd is en waar de peerden aan trekken.

MOLLEN, werkw. overg.. = (Boer) Eenen akker effenbrengen met het molbord. C. D. Nen akker mollen.

MOLLENEI, z. nw., o.. = Kei of steen die in het land ligt. 't Gebeurt soms dat de arbeider op eenen steen of kei kapt. Wie wilt er een mollenei ? vraagt hij dan. En het antwoord volgt er gauw op : ge zijt bedankt, 't ligt te lang aan de maag.

MOLLENHOL, z. nw., o.. — In de spr. : Kruipt in een mollenhol of trekt uw muts over uw ooren, en bedankt de wereld, maak u weg, ge zijt een dwaze.

MOLLE(N)KIP , z. nw., o.. = Mollenval, die op de akkers en inde hoven geplaatst wordt.

Ook mollenknipper.

MOLLEfN KNIPPER, z. nw., m.. — Z. Mollenkip.

MOLLEPOOT (scherpe o), z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Hij heeft een mollepootje in zijnen zak, is zeer gelukkig in het spel.

MOLLEREE, MOLREE (zachte *), z. nw., vr.. = Weg door eenen mol in 't wroeten gevolgd, mollerit.

Ook ree.

MOLLESTEERT, z. nw., m.. — - (Boer) Houten steert van het mollebard.

MOLM, z. nw., vr.. — Z. Maalm.

MOLM. z. nw., vr.. = Groote made die bezijden in de banden van den biekorf zit en, konde zij er aan geraken , den honing rooven zou, sphynx atropos ?

MOLREE , z. nw., vr.. — Z. Molree.

MOLSALA(DE), z. nw., vr.. — Z. Fleursalade. C

Bij D. en S. mollesalade.'

MOLSHOOP. z. nw., m.. — Z. Wdb..

Raadsel op den heerd :

In den dag een goudhoop,

In den nacht een molshoop.

Spr. : Hoe heeft hij dat geld bijeengekregen ? Hij sehupt het toch uit den molshoop niet.

MOLUURSCHAAF, z. nw., vr.. — Z. Leestschaaf.

MOLUURWERK, z. nw., o.. = (Mets. en schrijnw.) Lijstwerk.

MOLVLAS, z. nw., o.. = Vlas waar de mollen in wroeten.

Spr. : Molvlas is vol vlas, is zeer goed.

MOLZWART , bijv. nw.. = Zwart als een mol, zeer zwart.

MOMENT, z. nw., m.. (niet o). — Z. Wdb..

MOMMELBIE,z. nw.,vr.. —Z. Bombie.

MOMMELEN, werkw., overg.. = Mompelen. S. Iv. mutire. Hij zat lastig woorden te mommelen die 'k niet verstond.

Bij D. mummelen ; bij S. ook momelen.

Z. Verdam.

MON, z. nw., m.. — Edmond verkort. C.

MOND , z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Deur eenen mond spreken, altijd van 't zelfde gedacht zijn als een ander. Van mond ten Hemel gaan, bij het sterven , recht ten Hemelvaren. Hoe durft ge dat zeggen met den mond waar ge mee eten of lezen moet ? Zijt ge niet beschaamd ?... Zij riepen hoerrah ! uit éenen mond, eenparig. In den mond zijn, ruchtbaar zijn, verteld worden. Een mondje doen,\ee\ en smakelijk eten. Iemand den pap in den mond geven , hem 't antwoord gemakkelijk maken. Van iets zijnen mond niet opendoen, er niet van spreken. Met volle monden spreken , veel en snel pratenAl wat ge spaart uit uwen mond, is veur de kat of veur den hond. Met zijnen mond vol tanden staan, niet weten wat te antwoorden.

MOND , z. nw., vr.. = Maand.

MONDAG, z. nw., m.. — Z. Maandag.

MONDBAKKES, z.nw., o.. — Mombakkes.

MONDELINGS, bijw.. = Sprekend. C. S. Mondelings antwoorden.

MONDELINGSCH, bijv. naamw.. == Mondeling. C. D. S. Een mondelingsch exaam.

Gewest, bij V..

MONDEUVEL, z. nw., o.. = (Ziekte) Spruw, ziekte der kinderen , muguet.

Bij D. evelmond, evermond.

MONDJEKUSSENS, — Z. Pikkelen.

Sluiten