Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MUNTJE, z. nvv., o.. = Bol kleiner dan de muntbal.

MURE;N)ZEEKER, z. nw., m.. = Mier.

Ook muur.

Bij C. moerzeiker, muurzeiker; bij S. moerzeik, muurzijker en murenzijker. K. mierseyke, formica.

MURG, bijv. nw.. = Murw. S. Hout dat zeer gemakkelijk bewerkt, is murg.

Bij S. ook morg en mörrig.

Ook murh en murm.

MURGEN, werkw. onov. (zijn). — Murw worden, morwen. De peren beginnen te murgen. S.

Ook murmeii.

MURK , bijv. nw.. — Z. Murg..

MURM, bijv. nw . — Z. Murg. D. De appels zijn murm.

MURMEN, werkw. onov. (zijn). — Z. Murgen. D.

MURMEREEREN, werkw. onov. (hebben). = Morren, 't Is niet schoon tegen zijn ouders te murmereeren.

Z. Verdam.

MURRE, z. nw., vr.. — Z. Motte.

MUS (h = uu kort), z.. nw., m.. — Guielmus verkort. C. S. Mijn onkel Mus.

MUS(CH), z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo kwaad, zoo dood, zoo zot als een musch. Musschen onder den hoed of de klak hebben , hoed of klak niet afnemen, als 't de beleefdheid vraagt. Zijn musschen liggen onder de pannen, hij is rijk, zijn schaapkens zijn op 't droge.

MUSPELEER (zware e), z. nw., m.. — Z. Mespeleer.

MUSPELEREN [Ie, zware e), bijv. nw.. —Z. M espeier en.

MUSS(CH EBEK, z. nw., m.. = (Schoenmak.) Wigvormige nagel zonder kop dien men in den achterlap en op den hiel der schoenen slaat. C.

De Fransche musschebekken zijn fijner dan de Waalsche.

Ook splenter, splinster en splinter.

MUSS(CH)ECOLERE, z. nw., vr.. = Gramschap die niet duurt, die niet gewettigd is.

MUSS(CH)E(N(KLAMPER, z. nw., m.. — Z. Klamper.

MUSS(CH)E(N KRIEL , z. nw., o.. = Musschenhagel, klein zaad om te schieten, eendree, menuise, menuisaille. D.

Bij C. musschegriel.

MUSS(CH)ENNEST. z. nw., m. (niet o.). — Z. Wdb..

Spr. : Nen musschennest hebben, vier of vijf kinderen , niet meer , niet min.

MUSS(CH)E(N)P AKKER, z. nw., m.. - Z. Klamper,

MUSS(CH)Ei'N)PAND . z. nw., m.. = (Vogelvanger) Net waar men musschen mede vangt.

MUSS(CHE(N)POT, m.. — Z. Wdb..

Spr. : 't Is een musschenpot, van eene mislukte zaak gezeid.

MUSS(CHE(N)STEKKER, z. nw., m.. — Z. Klamper.

MUSSEL, z. nw., m.. —Z. Muisel.

MUTS, z. nw., vr.. — Z. Wdb .

Spr.: Hij heeft zijn vieze of slechte muts op, zijn muls staat scheef, hij is slecht gezind. Dat is volgens dat zijn muts staat, volgens dat hij geluimd is. •

— De muts van den spinrok , stijve stoffen band dien men over den rok spant, opdat het vlas niet te veel in eens afschuive.

— — (Schipp.) Ronde band van touwwerk of kurk , die over den neus van eenen roeiboot gelegd wordt.

MUTSAARD, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Een haart of 'nen mutsaard, in 't kaarten gezeid , tot iemand die te lang overlegt welke kaart hij spelen zou.

MUTSENJSTELLAS, MUTSE (N)STELSTER, z. nw., vr.. = Mutsenmaakster.

MUTSKEN , o.. = Kousje. De mutskens van de gasbekken moeten voorzichtig behandeld worden.

— Het mutshen van de pijp , deksel dat men op de pijp zet om te beletten dat het vuur er uit valle.

MUTTEN, z. nw., m.. = Jong kalf. D. S.

Bij S. ook motte, motten en muiten.

Spr.: Zoo dom, dwaas als een muiten. De muttens stampen de koeien in den gracht, de kleinen overwinnen de grooten.

— = Dommerik. S. Ge zijt een mutten , gij !

— Z. Flosser.

— = Vier schreefkens nevenseen waar een vijfde dwarsdoor loopt, l-!-|-|.

— — Kalf, brok aarde die afvalt. Hij lag op den grond nevens den eerdhoop ; op eens kreeg hij 'nen mutten op zijn lijf.

— = (Wever) Deel keting die men soms moet bij of uitleiden , omdat het stuk te smal of te breed geschoren is.

MUTTE(NjKENSGANG, z. nw., m.. — Z. Beenhoutversgang.

MUTTE NJSKNIE , z. nw., vr.. = Kalverknie.

MUTTE(N)STAL, z. nw., m.. = Stal voor de muttens.

MUUR, z. nw., vr. (niet m.). — Z. Wdb..

Bij Verdam m. en vr.

Spr. : Bleek, vast ais de muur. Let op uwe woorden , want de muren hebben ooren. Spreken veur de I 55.

Sluiten