Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NAAD, z. nw., m.. — Z. Wdb..

— Iets is of gaat uit den naad, wanneer de draad waarmede het genaaid is, losgaat. S.

— = Naaien, naaistiel. C. D. S. T. Ik ga mijn dochter op den naad doen. Met den naad kunde uw brood nogal verdienen.

— -= Naaiwerk. C. Mee mijn ziekte ben ik ver achteruit veur mijnen naad.

NAADJE, z. nw., o.. = (Breister) Teeken om het breiwerk te meten. Hoeveel naadjes staan er op die kous ? Telt eens hoeveel naadjes op den hiel zijn. Nog zeven naadjes en ik begin te minderen. Het naadje bestaat uit ecne rechtsche en eene averechtsche steek.

Ook nodje.

NAADPREZÉNNING, z. nw., m.. (meest meerv.) naadpreztnnings. = (Schipp.) Reepen geteerden zeildoek die vastgeslagen worden op de plaats waar twee planken bijeenkomen, om het indrin¬

gen van het water te beletten.

Ook prezendoek.

NAAIAS , z. nw.. vr.. = Naaister, naaivrouw. C. S.

Ook naaiës.

NAAIDUIG. z. nw., vr.. = (Schoenm.) Twee duigen aan 't een uiteinde met leder verbonden en dienende om het leder waar men aan naait, tusschen de knieën te spannen. D.

Ook naaispaan, neep, peerd, spaan, spanbard, spanduig en steekduig.

NAAIELS, z. nw., vr.. = (Schoenmak.) Els om te naaien. Zij is krom gelijk de gewone els.

NAAIES, z. nw., vr.. — Z. Naaias.

NAAISPAAN, z. nw., o.. — Z. Naaiduig. D.

NAAISTIEL, z. nw., m.. = Kleermaken, naaien. C. S.

NAAKT, bijv. nw. en bijw.. — Z. Wdb.. Wij zeggen niet de naakte, maar de bloote, loutere. pure, zuivere waarheid.

NAAKTE VROUWEN , z. nw., vr., meerv.. — Z. Arme Claren.

NAALD, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Deur de oog van een naald gekropen zijn, aan een groot gevaar ontsnapt zijn. Iets vertellen van 't naaldeken tot den draad , van stuksken tot beetje, in alle bijzonderheden. De naald achter den verloren draad smijten. Z. Draad. Zoo scherp als de punt van een naald.

Raadsel op naald en draad :

Een stalen peerdje,

Een vlassen steertje ;

Hoe herter dat dat peerdje liep , Hoe korter dat dat steertje wierd.

- Naalden draad. Kinderspel. Verscheiden gezellen geven malkander de hand. Een speler, de eerste , gewoonlijk een groote , houdt zijne hand omhoog tegen den muur. De andere loopen er onder, te beginnen met den laatsten. Zij zingen ondertusschen : De naald en de draad is altijd goed, Viva de naald en de vingerhoed !

Als ze er nu allen door zijn, dan staat de eerste met zijne hand , die de tweede vasthad, op zijnen schouder en hij houdt zoo de hand vast van den tweede ; deze zal zoo doen met den derde, enz. — Als ze zoo allen staan, dan komen de eerste en de laatste bij elkander en geven de hand , die ze nog vrij hadden, aan malkander. Nu kruipen al de anderen daar onder, zonder malkander los te laten , en dan staan ze in een rond , met de handen gekruist ; ze trekken die dan over en weer , al zingende : striekende, strijkende wafelkes ! Ze sjouwen dan eens en 't spel is uit.

Sluiten