Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NAUW. z. nvv., o.. = (Schipp.) Deel van eenen stroom , dat op weinig breedte of diepte bevaarbaar is. Het nauw van Bats is door de zeevaarders gevreesd.

NAUvWIjGHEID, z. mv, vr.. = Nauwheid, engheid. De nauwigheid van de kleeren verhindert dikwijls de gezondheid. De nauwigheid van concientie geeft veel onrust.

Z. Verdam.

NAUWTE, z. nw., vr.. — Z. Nauw.

NAVENANT. voorz. en bijw.. = Volgens, naar evenredigheid. C. Die mensch geeft veel navenant zijn fortuin. Hij geeft veel, maar zijn moeder geeft navenant veel meer. Gaat gij mee ? — Dat is navenant.

— Navenant dat, voegw., volgens dat. Die mensch geeft veel navenant dat hij maar inkomsten heeft.

— Op zijn navenant, z. nw., o.. naar evenredigheid. Hij geeft veel, maar zijn moeder, op zijn navenant , geeft veel meer.

Spr. : Dat is navenant van waar de wind komt, dat hangt af van de omstandigheden.

Ook navenant.

Z. Verdam.

NAVEND. — Als groet voor : goeden avond. S.

NAZZER. bijv. nw.. —Z. Nasscher.

NAZZERIGHEID. z. nw., vr.. — Z. Nasscherheid.

NE, lidw., mann. enkelv.. = Een. C. S. Ne man, ne jongen.

Wordt gebruikt wanneer het onmiddellijk volgende woord met ƒ, g, j, k, l, m, n, p, r, s, v, w , of z begint. Z. Spraakl. bl. 28, nr 26.

NE . bijw.. == Niet.

Komt voor in nemeer en newaar. C.

NEE (scherpe e) bijw.. = Neen. C. D. S.

Bij V. : « in de volkstaal voor neen. »

Spr. : Van nee verkoopen , uitverkocht zijn.

NEEF (zachte e), z. nw., m. = Broeders-of zusterszoon. Z. Wdb..

Voor al de mannelijke afstammelingen van neef en nicht gebruikt men Kozijn.

NEEF^T), z. nw., m. — Z. Heef(t).

NEEG (scherpe e). — Nee(n) gij samengetrokken. S.

NEEK (scherpe e). — Nee(n) ik samengetrokken. C. S.

NEEM ischerpe e). — Nee(n) wij samengetrokken. S.

NEEN (scherpe e). — Nee(n) en samengetrokken.

.NEENEE (seherpe e's). bijw.. = Neen, geenszins.

NEEP (zachte e). z. nw., vr.. — (Wever) Kleine opening , gebrek in 't goed , omdat men den eenen draad niet tegen den anderen geslagen heeft.

— Z. Naaiduig. D.

NEER (zwaree), z. nw., m.. — In de spr. : Den teer naar den neerstellen, de tering naar de nering. K. neere, neeringhe victus, qwestus.

Z. Nere bij Verdam.

NEER (zachte*), z. nw., m.. (niet vr.1. = Draai kolk, tegenstroom. Z. Wdb..

NEER (zware e), z. nw., m.. —Z. Broedbie. C

NEERDONDEREN. werkw. onov. (zijn). = Plotseling, met gerucht nedervallen. Hij liep te rap op den trap en donderde neer.

NEERDOUGEN. werkw. overg.. = Nederduwen.

NEERFLOKKEN. werkw. wederk. = Nederhurken , zich op de hurken zetten, van vrouwspersonen gezeid. S. Ze flokte heur neer op de volle baan en wou niet meer voort.

NEERLEGGEN, werkw. overg.. —Z. Wdb..

— Neerleggens. Z. Pikkelen.

Spr. : Zijn hoofd neerleggen , sterven.

NEERLIGGENS. bijw.. = Al nederliggende. Iemand neerliggens overmeesteren.

NEERPLETSEN .werkw. overg. (zijn). = Pletsende neerstorten. D. De regen pletst neer op den grond.

NEERRIJZEN, werkw. wederk. en onov. (zijn), = Nederdalen, nederzakken, nederglijden. K. prolabi, delabi. Die jongen , als hij de gendarmen gezien had, liet hem rap neerrijzen van den boom.

Z-: Verdam.

NEERROOIEN, werkw. overg.. = Nederwerpen. Rooit die peren maar neer, want ze zijn rot.

NEERSLAAN. NEERSLAGEN, werkw. onov. (zijn). — Het brood slaat neer, houdt op te rijzen of valt neder, slaat ineen. Dat gebeurt, wanneer de koude slaat in het brood dat gemaakt of opgewerkt wordt.

NEEiR STIG (zware e), bijv. nw. en bijw.. = Naarstig. D. K. gnavus.

Spr. : Zoo neerstig als een bieken. Een neerstige hand, een sparende tand koopt eens anders land.

Z. Verdam.

NEE(R)STIGHEID (zware e), z. nw., vr.. = Naarstigheid. K. diligentia, studium.

Z. Verdam.

NEERSTUIKEN, werkw. onov. (zijn). = Plotseling nedervallen. Hij stond op 'nenbalk, hij mistrapte hem en steuk neer.

NEES (scherpe e). — Nee(n) zij samengetrokken.

Sluiten