Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEUSPLANK . z. nw., vr.. = (Timmerm.) Plankdie schuins op het einde dér kepers en tegen den gootbodem genageld is om de eerste rij pannen te ondersteunen.

NEUSRIEM. z. nw., m.. (Voerm.) Leeren riem, tusschen de twee zijriemen, die van den toom naar achter het oor van het peerd loopt. V.

NEUSRIEMGEPS, z. nw., vr.. = (Voerm.) Gesp die soms aan den neusriem vast is om hem vast te gespen.

NEUT, z.nw., vr.. — Z. Ktieul.

NEUZELEN , werkw. onov. (hebben . Beuzelen , nietigheden verrichten. C. S.

Bij S. ook «ozelen.

NEUZELWERK, z. nw . o.. Neutelwerk. D. S.

NEUZEMAKER. z. nw., m.. — Z. Beslagmaker.

NEUZENDRUP, z. nw., m.. — Z. Eusiedrup.

Bij C. neuzeldrup , bij S. neuzeldrup.

NEVENS, voorz. en bijw.. = Dichtbij , naast. Z. Wdb.. Ik woon nevens uwen vader.

Ook neffenst en nevenst.

Het « bijbegrip van gelijkheid in rang », dat V. er vooral in vindt, ligt er zelden of niet in.

— Er nevens zijn, er nevens slaan , fig., het juiste antwoord niet geven , niet juist raden, mis zijn. C.

NEVENST, voorz. en bijw.. — Z. Nevens. D.

NE WAAR. bijw.. = Niet waar ? C. S.

NIBBELEN, werkw. onov. [hebben). = Onaangenaam treffen. Dat het zoolang slecht weer is, dat nibbelt mij.

NIBBELING, z. nw., vr.. •= Ontevredenheid, lastigheid. Een nibbeling gewaar worden.

NIE, bijw.. = Niet. C. D. S. R.

NIEF, bijv. nw.. — Nieuw. C.

Ook nimf.

Spr. : Nieve bessems vagen goed of nieve messen snijden goed, het nieuwe behaagt.

— Nieve rijke, rijke van gisteren. C. S.

— Op een (een toonloos) nief, optenief, opnieuw , op een nieuw.

Ook op een nuuf en optenuuf.

NIEMENDALEN, onb. z. nw.. = Niemendal, niets. Hij heeft niemendalen gezeed , als hij vertrok.

Bij S. niemendale.

— z.nw., m„ Veur 'nen niemendalen, voor zeer kleinen prijs. C. Ik heb die lamp veur 'nen niemendalen gekocht.

— bijw. = Geenszins, volstrekt niet.

NIEMENDALLEN, onbep. z. nw.. — Z. Niemendalen. C.

Bij D. niemedal[le), niemendal(Je) en niebedal(le); bij S. niemendalle.

NIEMER, bijw.. — Niet meer, neplus. D. S. K. niemer, minquam. Ik en zal 't niemer doen , vergeef het mij.

Bij Verdam niemeer.

NIERKOEK, z. nw., m.. — (Vleeschh.) Nieren der beest met al het vet dat er rond ligt.

NIES, z. nw., m.. = Inzet, zaad , knikker, knop , marmel of cent. Z. Iepken.

NIES, z. nw., o . — Uitspraak van nieuws.

Ook nuus.

NIET. z. nw., m. (niet o.). - Niets. C. K. nihil. Ik en weet er niet af,

Spr. : Kwaad zijn veur 'nen ijlen niet, voorde minste reden. Op 'nen niet uitdraaien, op niets uitloopen.

— Veur niet, gratis.-Z. Wdb..

Spr. : Veur niet(s) is dood, Jan veur niet is dood of veur niet scliijt op straat gelijk de honden wordt gezeid om te beteekenen : er moet betaald worden.

— Of niety s), of niets van dat. Ik heb geen broer, geen zuster of niet.

Bij C. of niks.

NIETDEUG , z. nw., m.. = Deugniet, die in zijn leven niets goeds Verrichtte. K. nietdooghe, deughniet. Jan is de grootste nietdeug die er onder de zonne loopt.

Bij S. nietdeuge, vr.

NIETE. bijw.. = Niet, geenszins. Dat hebt gij zeker gedaan ? — Niete.'

NIETJE, z. nw., o.. — In de uitdrukk.patatten ■ mee nietjes, blooté patatten, zonder vleesch of iets bij.

NIETOP, z. nw., m., —Z. Legverloren.

NIETOPPERIJ, z. nw., vr.. - lichtzinnigheid, ondeugendheid.

NIETS, onb. z. nw. — Z. Wdb..

— bijw. = Geenszins. S. T. R. Het is vandaag niets koud.

NIE UW (BAKKEN, — bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr.: Oudbakken boter en nieuwbakken brood, dat is mijn dood , zei de man , en hij had het geren.

NIEUWJAAR, z, nw., m. (niet o.). — Nieuwjaarsdag. C. T. R. De nieuwjaar is dezen keer danig koud.

— = Nieuwjaarsgift, vooral peperkoek met krullen versierd en in 't midden een geverfd plaasteren figuurken. C.

Spr. : Nen duvel veur nieuwjaar krijgen, in plaats van een goed woord eene snab krijgen, in plaats van goed slecht onthaald worden.

Sluiten