Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NONNENTIJD. z. nw„ m.. -= Tijd dat de jon- . gens met de non spelen. C.

NONNESPEL. z. nw., o.. = Spel met de non. C.

NONNEZEEL, NONZEEL. z. nw., o.. = Koorde die men rond de non windt om ze te kunnen uitzetten en doen draaien.

NOO. bijw.. = Noode, ongeerne , met tegenzin.

V. C. D.

Ook nooi.

NOOD (scherpe ó), z. nw., m.. — Z. Wdb..

— Man in den nood, iemand die helpt bij onvoorziene moeilijkheden.

Spr. : Nood breekt wetten. In den nood mag eeniegelijk doopen. Van den nood een deugd maken. Nood doet oude wijven loopen.

— Het doet nood. Z. Doen. C. D.

— Daar is geen nood veur, dat is niet te vreezen , denk dat niet. T. R.

NOODDRUFT, z. nw., m. (niet vr.). — Z. Wdb.. C. T. R.

Bij Verdam, m. en vr..

NOODIG. bijv. nw. en bijw.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo noodig als brood, volstrekt onmisbaar. Z00 noodig als 't vijfde wiel aan 'nen wagen, schertsende.

— = Volstrekt, in de uitdrukk. : iets of iemand noodig vandoen'hebben.

NOOI, bijw.. — Z. Noo. D.

NOOIT. bijw.. — Z. Wdb..

— Om nooit te versterken , zegt men nooit als nooit, nooit of (te) nooit.

Bij C. nooit of nooit, nooit des nooits ; bij T. en R. nooit des nooit.

NOOITGEDEUGEN, z. nw., m.. = Deugniet. C. T.

Bij D. nooitgedeugd, nooitsgedeugd, nooitstgedeugd en noointgedeugd.

NOORDKRIEK, z. nw., vr.. — Z. Marei. C.

NOORDZAAT. z. nw.,vr.. — (Eendenkooi)Zaat die op den noordkant is. Z. Zaat.

NOORMAN, z. nw., m.. = (Schipp.) Inwoner uit Noorwegen of Zweden.

— = Zeeschip of stoomboot uit Noorwegen. Er vaart een Noorman.

NOORSCH, bijv. nw.. — Inde uitdrukk. noorsche deugniet, groote deugniet.

NOORSCH, bijv. nw.. = Uit Noorwegen of Zweden. Een Noorsche brik ; Noorsch hout.

NOOSACHTIG (scherpe o), bijv. nw.. = Deerniswekkend , treffend, roerend, 't Is noosachtig die arme kindjes met dunne kleedjes deur den regen te zien loopen.

NOOT (zachte o), z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Veel noten, harde Winter. Veel noten op zijnen zang hebben, frank spreken, zich veel te veistaan geven. Met de noot zitten, bevreesd zijn. Herte noten te kraken hebben, harde waarheden moeten hooren , veel verdriet en last uitstaan.

Raadsels op de noot :

Hoogverheven,

Neergedaald,

Opengebroken,

't Hert uitgehaald.

Hooger als een huis,

Kleiner als een muis,

Groener als gars,

Witter als vlas,

Wie kan graan wat dit was ?

— == Lid , gewicht. D. S. Zijn arm is uit de noot.

— = (Steenbakk.) Soort van echelsteen ; hij heeft den vorm van de ruggraat van eenen stokvisch.

Ook vischruggegraat.

NOOTSCHAAF, z. nw., vr.. = (Schrijnw.) Schaaf om noten te schaven., b. v., in een vensterraam. C. D.

NOOTSCHELP, z. nw., vr.. == Noteschelp.

Spr. : Op malkander passen gelijk twee nootschelpen. Op malkander gelijken gelijk twee nootschelpen.

NOOTZIEKTE (zachte o), z. nw., vr.. = (Ziekte). Reumatiek in de gewrichten, rhumatisme articulaire.

NOOZE, z. nw., vr.. = Spijt, regret. K. noxa, maltint. Ik heb nooze, zei de boer, dat ik mijn boekweit in den regen moet laten liggen.

Z. Verdam 2 en 3.

NOOZEN. werkw. eenpers. {hebben). = Spijten, treffen , smerten. K. nocere. Het noost mij dat ik dien armen man niet helpen kan. Het noosde mij van ons schoone horlogie zoo in den rook te zien hangen.

Z. Verdam 3.

NOPNAAD, z. nw., m.. = (Kleermak.)Opnaaisel, rempli, troussi. D.

Ook noppenaad en opnaai.

NOPPENAAD, z. nw., m.. — Z. Nopnaad.

NOSTER , z. nw., m.. = (Kindersp.) Steen , lood , alle voorwerp waar men mede naar eene meet schiet.

NOSTEREN. werkw. onov. (hebben). —Kinderspel. Z. Doezen.

NOTELEER (zware e), z. nw., m.. = Noteboom. S. K. nux

Z. Verdam.

— Z. Hekstaken.

NOTELEREN (le zware e), bijv. nw.. = Van notenhout. Een noteleren bedstoel.

Z. Verdam.

Sluiten