Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONDERHAGE , z. nw., m.. — Z. Kruipt deur den tuin. C.

ONDERHAVE , z. nw., m.. — Z. Kruipt deur den tuin. V.

ONDERHOOREN, werkw. overg., onsch.. -- Onderzoeken , ondervragen. C. S. Een geheime zaak onderhooren.

Zuidned. bij V..

Z. Verdam.

ONDERHOUD , z. nw., m. (niet o.). — Z. Wdb..

ONDERHOUDEN, werkw. overg., sch.. = Onder water houden. De hond had 'nen grooten steen aan den hals , en toch, hadde ik hem niet ondergehouden, hij zou niet verdronken zijn.

ONDERHOUT, z. nw., o.. = (Vinker) Houten bloksken waar de springstokken op draaien.

ONDERJARIG, bijv. nw.. = Minderjarig. K. minor attnis. Die weef zit met vier onderjarige kinderen.

Z. Verdam.

ONDERKELDEREN, werkw. overg., onsch.. = Eenen kelder onder iets anders graven. C. D. S. Een zaal onderkelderen.

Zuidned. bij V..

— = Ondergraven , ondermijnen. D. S. Het water van de goot heeft heel den vloer van den stal onderkelderd.

Weinig gebr. bij V..

ONDERKELPEREN, werkw. overg., onsch.. Ondermijnen. De goot was versleten en stillekens aan heeft het water heel den stal onderkelferd.

ONDERKLETSEN. werkw. onov. (hebben), onsch.. — Spel met geld. Eender spelers houdt een stuk geld onder de twee handen ; een andere smijt twee geldstukken naar omhoog en legt ze, gelijk ze gevallen zijn, ieder aan eene hand des makkers ; ligt het geldstuk dat opgerooid is, gelijk het geldstuk dat onder de hand zit, dan wint de oprooier.

ONDERKOMMEN, werkw. onov. [zijn), onsch.. = Verzwakken, vervallen. C. T. R. K. pessumire, perire. Die mensch is geheel en gansch onderkommen deur gebrek aan voedsel.

Z. Verdam.

— scheidb.. — Onder water komen. D. Als't niet uitscheedt van regenen, komt heel de straat onder.

ONDERKOOPEN, werkw. onov. (hebben),scheidb.. = Een lageren troef leggen dan er reeds uitgespeeld werd. C. D. Ge hebt ondergekocht met de negen van troef.

Ook ten onderen rooien.

ONDERKRAAG, z. nw., vr.. = (Kleermak )Deel der mansvest, onderkant van den kraag. De onderkraag wordt geboreerd.

ONDERLEGGEN, werkw. overg., scheidb.. — (Wever) U onderleggen, het eerste geweven goed aan den onderlooper vastmaken.

— = Eene lagere kaart van dezelfde kleur opleggen dan reeds gespeeld werd. D.

Ook onderspelen.

ONDERLIJFKEN, z. nw., o.. — Z. Lijfken.

ONDERLOOPER. z. nw., m.. — (Wever) Onderboom. Houten rol van het getouw dienende om er het geweven goed op te winden. C. D. S.

ONDERMANS , z. nw.. m., meerv.. = (Blokmak.) Blok die in grootte tusschen de mansblokken en dedrijlingen is. Een paar ondermans.

Ook ondermansblok en hooge vrouwen.

ONDERMANSBLOK, z. nw., m.. —Z. Ondermans.

ONDERMANSBOOR (scherpe o) z. nw., vr.. = (Blokmak.) Boor waar men de ondermans mede schrooit.

ONDERMES, z. nw., o.. = (Scheerder) Mes om de stof te scheren.

ONDERMOUW, z. nw., vr.. = (Kleermak.) Deel der mouw dat langs onder komt en dus oksel en elleboog raakt.

Vgl. bovenmouw.

ONDEROVEN, z. nw., m.. = Plaats onder den oven waar men het brood in steekt om het te laten rijzen. V.

ONDERPASTOOR (scherpe o) z. nw., m.. - = Geestelijke die onder den pastoor staat.

Bij V. Zuidned.

ONDERPEE fzachte e), z. nw., vr.. = Wortel die aan het boomeinde ligt.

ONDERRIJDEN, werkw. overg., scheidb., = (Boer) Onderploegen. C. S. Het mest onderrijden. Het vuil'onderrijden.

ONDERRING, z. nw., m.. —Z. Onderband.

ONDERROSSEN, werkw. onov. (hebben), scheidb.. = Bij 't opgieten van koffie, water recht inden pot doen, in plaats van het door de beurs te laten trekken. De koffie is maar bruin water ; gij hebt zeker ondergerost om tijd te winnen ?

ONDERSCHEED (scherpe e), z. nw., o.. = Onderscheid, verschil. C. D. S. K.

ONDERSCHEE(DE)N, werkw. overg., onsch.. = Onderscheiden. C. D. K.

ONDERSCHEPPEN, werkw. overg. onsch.. = Heimelijk te wete komen. Hoe hebt gij dat toch onderschept ?

ONDERSGHEUT, z. nw., vr.. —Z. jBovenscheld,

Sluiten