Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONS-LIE (VE )-VROU( WE iNKEERSKEN , z. nw,, o. meerv.. —Z. Kruiphruid.

ONS-LIE(VE)-VROU(WE)NLIS(CH),z. nw.,o„ — Z. Gestreept lint.

ONS-LIEi VEj-VROUi WEJNMANTELKEN.z. nw., o.. — Z. Mantelkens.

ONS-LIE(VE)-VROU(WE)NMANTELKNOPKEN, z. nw., o.. — Z. Gouden knopkens.

ONS LIE(VE-VROU(WE)NMIDDAGBLOM , z. nw., vr.. — Z. Elf-urenblom.

ONS LIEi VE)-VROU(WEjNNOENBLOM , z. nw., vr.. — Z. Elf-urenblom.

ONS LIE(VE)-VROU(WEjNTELLOORKEN, z. nw., o.. — Z. Marias telloorken.

ONS-LIE(VE)-VROU(WE)NTINGEL. z. nw., m.. — Z. Doove tingel.

ONS-LIEi VE)-VROU( WEjNTRAANT JES. z. nw-., o., meerv.. = (Kruidk.) Chymocarpus pentaphyllum, fam. Tropeol.

ONS LIE VE)-VROU(WEjNWIEGESTROO , z. nw., o.. = (Kruidk.) Galium aquatica, fam. Rubiac.

ONS LIE(VE)-VROU(WE)NWITBORSTEL. z. nw., m.. —Z. Ons-lieve-vrouwenborstel.

ONS LIE(VE) VROUW HALFOEST, z. nw., m.. — Z. Halfoest. C. S. R.

ONSTUIMIG, bijv. nw.. — Z. Wdb..

— == Opvliegend, korzelig. Zeg niet te veel tegen Gust, want het is een onstuimig manneken.

ONTBEE(D)EN , werkw. overg.. = Ontbieden.

ONTFERMEN, werkw., wederk.. = Zich beklagen, jammeren. Cij moet u zoo niet ontfermen omdat uw vader dat weet : dat geheim kost toch niet verborgen blijven.

ONTGEESTEN. werkw. overg.. = Door chloroform in gevoelloozen toestand brengen. De doktoors om de zieken niet te veel te doen lijden, ontgeesten die dikwijls.

ONTGEVEN, werkw. overg.. — U iets ontgeven , het voor eene vergissing houden en er daarom niet verder aan denken. V.

— Het u ontgeven, allen moed opgeven , moedeloos zijn. Alles gaat mij tegen, ik begin het mij te ontgeven.

ONTHOUDEN. werkw. onoverg. (hebben) = Kalf inhebben, van eene koe geüeid. D. Ons koe zal dezen keer onthouden hebben.

Zuidned. bij V..

ONTIJ. z. nw., m.. = Ontijd.

Spr. ; Bij avend of nacht en ontij ; — de bode moet bij avend en ontij de gazet gaan dragen.

ONTLATEN, werkw. onov. eenp. (hebben en zijn). = Dooien. V. Het begint al te ontlaten. NTLEGGEN . werkw., overg.. — Men kan u niets ontleggen, gij kent alle werk , gij zijt slim.

ONTLUI(E REN, werkw., overg., = Ontwarren, van haar en garen gezeid.

Ook ontslechten, ontwarrelen , ontwarren, ontwerrelen, ontwerren.

ONTLUI'E RKAM, z. nw., m.. = Grove kam om 't haar te ontwarren.

Ook ontslechtkam en ontwarkam.

ONTMAKEN , werkw. wederk.. = Zich ontdoen.

. C. D. Ge moet u van dien hond trachten te ont■ maken.

ONTNAAID , bijv. nw.. - Los , uit den naad. D. Let op uw mouw, want ze is onder den arm ontnaaid.

Bij V. : « Ontnaaien, (Zuidned.) onttornen. »

Z. Verdam, II.

ONTPLOTTEN, werkw. onov. (zijn), = Lossen , van lijm. enz.. De lijst wierd vochtig en viel uiteen , want de lijm was ontplot.

ONTRENT, voorz. en bijw.. = Omtrent. C. D. K.

Gep. woord. ; Aan noch ontrent. Z. Aan. Daar of omtrent. Z. Of.

— = Bijna. C. Hij kwam ontrent de leste in de zaal.

ONTRIEVEN, werkw. overg.. — Z. Wdb.. Als ik u niet ontrief.

ONTSLECHTEN, werkw. overg.. — Z. Ontluieren. Het haar ontslechten.

ONTSLECHTKAM, z. nw., m— Z. Ontluierkam.

ONTSCHIETEN, werkw. onov. (zijn), -Z.Wdb..

— Dat het mij ontschoot, indien ik mij niet weerhield. Dat het mij ontschoot, ik zou u slagen geven veur zoo een dom antwoord.

ONTSTAAN, werkw. overg.. = Ontkomen, van een gevaar , eenen last verlost zijn. Nu het drij keeren gevrozen heeft, peis ik dat wij de kou zullen ontstaan hebben.

Z. Verdam. 8.

ONTSTEKEN, werkw. overg.. —Een vat of ton bier ontsteken , er de kraan in slaan om er te beginnen van te tappen. C.

— = Aansteken. Een keers ontsteken.

Z. Verdam 6.

ONTVANGEN, werkw. overg.. —Z. Wdb..

Spr. ; levers ontvangen worden gelijk een hond in een kegelspel, zeer slecht ; gelijk een prins , plechtig.

ONTVANGER , z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Bij den ontvanger gaan , naar het gemak. Iemand ontvanger maken, iemand slagen geven in het vechten.

Sluiten