Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OOIEVAARSBEK. z. nw,, m. — Z. Kranetibek.

OOK, bijw.. — Dient om te bevestigen. C. S. Dat is waar ook. Ge hebt gelijk ook.

OOLIJK, bijv. nw. en bijw.. = Slim, een weinig valsch. Oolijk meisje. Oolijk kijken. D. K. astutus.

Vooral in Zuidned., zegtV..

OOLIJKAARD, z. nw., m.. = Slimmerik. D. S.

OOM, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr : Eerst oomken en dan oomhens hinderen. Een oom is een droom of uw goed kan groeien deur oude moeien, maar oude oomen zijn droomen. want ze trouwen soms. Van iets Hen oom dood hebben, iets niet meer doen omdat men ondervonden heeft dat het eene slechte zaak is. Wanneer een kind zegt: ik wil niet, antwoordt men dikwijls: ml> willeken hangt op den boom en, als 't er afvalt, is 't uw oom.

OOR. z. nw., vr. (niet o.). —Z. Wdb.. C. D.T. R. Iets met eigen ooren gehoord hebben. De eene oor in-en de andere uitgaan of uitvliegen. Met open ooren luisteren. Iemand de ooren van zijn hoofd eten. Achter zijn ooren krabben. Iemand bij de ooren trekken.

Wdb. der Ned. T. : « onz , voorheen ook vr.. »

Spr. : Iemand iets in de ooren blazen, influisteren. Zijn ooren opsteken of recht zetten, ontevreden zijn. Veel aan zijn ooren hebben, veel werk, veel last. Zijn ooren staan te dicht bij zijnen kop, hij is gierig. Iemand ooren aannaaien , iets wijsmaken , bedriegen. Langs die oor of dien hant hoort hij niet. Z. Kant. Een oor aanhebben of een snee in de ooren hebben , dronken zijn. Iemand of iets opeten met ooren en pooien , gansch. Schertsende uitroep : Mijn oor ! ik geloof niet dat dit waar is. Op alle twee zijn ooren slapen, ergens gerust in zijn.

— (Schipp.) Het schip ligt op zijn oor, als het scheef loopt.

OORBEEST, z. nw., vr.. - (Insect) Oorworm, forficula auricularia. D. S.

Ook oorleper , oorlooper, oorzuipe:.

OORBLOK. z. nw., m.. — (Kuip.) Blok of dikke plank waar de ooren der tobben tusschen sluiten, als de kuiper van onder aan de tobben werken moet.

OORDEEL, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Hij zal te laat kommen iu 't lest oordeel, van eenen trage.

OORDEN (zachte 0), z. nw., ? meerv.. = Geld. C. Geen oorden hebben.

Spr. : Praten zijn geen oorden. Indien praten oorden waren, dan hadde ik er veel, zei de Hollander.

OORKORF , z. nw., m.. = Korf mt éen oor dat over den korf van den eenen naar den anderen kant gaat, gelijk het hengsel van den emmer.

Ook oormande.

OORLAP, z. nw., m.. = (Ziekte) Oorkwaal, oreillon. D. S.

Zuidned. bij V..

OORLEPEL , z. nw., m.. — Z. Oorbeest.

OORLOOPER. z. nw., m.. —Z. Oorbeest.

OORM , z. nw., m.. — Z. Hoorm.

OORMANDE, z. nw., vr.. —Z. Oorkorf.

OORMEESTER, z. nw., m.. = Oorarts. C.

OORTJE (scherpe 0), z. nw., o.. — Z. Wdb..

Oort, bij V., is veroud. Zuidned..

Spr. : Iets van stuivers op oortjes brengen , er schade door hebben in plaats van profijt. Die vettr 't oordje geboren is, en zal tot den stuiver niet geraken, de arme blijft gewoonlijk arm. Zij is maar goed om op een oortje rotte appeleti toe te geven , op eene vrouw die tot niets deugt. Hij heeft maar een oortje Dan doen om rijk te worden, op iemand die in alles geluk heeft. Veur 't oortje zijn , geldgierig.

— = Geld. S. Al zijn oortjes kwijt zijn.

OORTJEDOOD, z. nw., 0.. — Vrek, gierigaard. C. S.

OORTJESDIEF, z\ nw., m.. — In de vergelijk. : Gaan gelijk een oortjesdief, zeer snel.

OORTJESKEEiR SKEN (zware e), z. nw., o.. = Roeten keersken dat een oortje kost. C. D.

Spr. : Hij is precies een oortjeskeersken , mager en bleek.

OORTJESNAGEL , z. nw., m.. — Nagel die zwaarder en langer is dan de duitnagel , hij kost een oortje.

OORTJESPANNEKEN, z. nw., o.. = Aarden panneken dat een oortje kost. C. D.

Spr. ; Zijn geld smelten in een oortjespanneken, het verkwisten.

OORTOUW, z. nw., vr.. = (Schipper) Hoofdtouw.

OORZUIPER, z. nw., m.. — Z. Oorbeest.

OOST. z. nw., altijd zonder lidw.. — Z. Wdb..

Komt alleenlijk voor in : iemand van Oost naar West zenden , van de eene naar de anderé plaats ; Oost, West, thuis best.

OOST. z. nw.. m.. (niet o. noch vr.). = Oost-Indië. Z. Wdb. C. S.

OOSTEN, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Als hij naar 't Oosten kijkt, ziet hij mannen in 't Westen, van eenen schele.

OOSTENRIJK, z. nw., o.. — Z. Wdb.,

Spr. : 't Is daar 't huis van Oostenrijk , men viert er altijd feest.

Sluiten