Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OPBEENEN, werkw., onov. (hebben). Gaan, stappen. Kind, ge moet goed opbeenen, als ge meegaat, want ik ben haastig.

OPBIJTEN , werkw., overg.. — (Kleermak.) De knopgaten opbijten, als de knopgaten gemaakt zijn , de twee kanten langs de achterzijde met de tanden tegen malkander bijten.

OPBINDEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

— (Wever) Nen kam opbinden, het overschot der ketting aaneenknoopen.

— (Breister) Het breiwerk opbinden, de gebreide stukken met dozijnen bijeenbinden.

OPBIN(DiSTER, z. nw., vr.. == (Breister) Meisken dat de gebreide stukken met dozijnen bijeenbindt.

OPBLAZEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Blazen.

OPBLOZEN, werkw., onov. (zijn). = (Boer) Opdrogen, van den grond gezeid. Vooraleer het te rollen , laat men, als er vlas gezaaid is , het land wat opblozen ; anders zou het te veel aan de rol blijven plakken.

Ook opzommeren.

OPBOEFEN, werkw., onov. (hebben). —Z. Blazen.

Bij C. oppoefen ; bij R. oppoffen.

OPBOLLEN, werkw., onov. (hebben). = Eerst bollen. Wie moet er opbollen ?

OPBOOTEN, werkw., overg.. = (Boer) Op booten doen. Het vlas opbooten.

OPBORZEN. werkw., onov. (hebben). — Z. Blazen.

OPBOTTEN, werkw., onov. (zijn). — Verschijnen. Hij steekt hem weg, maar hij zal toch moeten opbotten.

OPBREKEN. werkw., onov. (zijn). — Heengaan, zich verwijderen, van personen. T. R. K. discedere. Als hij zijn vader zag , brak hij haastig op.

— = Helder worden, opklaren , van het weder. De lucht breekt op.

OPBRINGEN. werkw., overg.. — In voege, in zwang brengen. Wie heeft die mode opgebrocht ?

Z. Verdam 7).

— = Grootbrengen. C. Een luie vrouw bringt heur kinderen slecht op.

Weinig gebr. bij V..

Z. Verdam 2).

OPBRINGST, z. nw., vr.. = Opbrengst.

OPBROKKELEN. werkw., onov. (zijn). = Opbreken , vertrekken. Brokkelt maar op, wij kunnen u hier goed missen.

OPCEEZEN, werkw., onov. (zijn). — Ijlings vertrekken, heengaan.'C. Ge zijt valschaards, zeide hij, en daarmee ceesde hij op.

Ook opsjeezen.

OPCENTIEMEN, z. nw., m., meerv.. = Opcenten. C. In sommige steden moeten ze veel opcen• tiemen betalen.

OPDAGGEREN. werkw., overg.. Aanzetten, opwekken. Ge moet hem intijds wat opdaggeren , anders zal hij te laat kommen aan den trein.

Ook ophelderen.

OPDIRKEN.werkw.,onoverg. (hebben). = (Schipp.) De gei een weinig omhooghalen. Alvorens het zeil bij te zetten, moet men opdirken.

OPDOBBELEN, werkw., overg.. — (Boer) Het vlas opdobbelen , op dobbels brengen. Vooraleer het vlas op te dobbelen, moet ge 't goed uitsnuiten.

OPDOEN, werkw., overg.. = Optooien, versieren, bijzonderlijk van mutsen en hoeden der vrouwen. V. D. Wie doet er uw mutsen op ? Ik zal mijnen hoed moeten laten opdoen, want de Zomer komt af.

— = Betrappen , krijgen, van eene ziekte. V. Ik heb een valling opgedaan, 't Is goed om er iets van op te doen.

— (Vinker) De netten opdoen , ze bijeendoen.

— (Wever) Een stuk opdoen, het stuk opboomen.

— Opgedaan zijn met, ingenomen zijn. Hij was heel en gansch opgedaan met hetgene ik hem zei.

— (Spinster) Het garen opdoen , iri strengen doen.

— = Schikken, in orde brengen, bij de vrouwen gebruikt voor het haar. C. D. Wacht nog wat om te vertrekken , Marie is bezig mee heur haar op te doen , ze zal straks gedaan hebben.

— = Verteren, verkwisten. C. S. T. R. Al zijn geld opdoen.

— Een kind opdoen, inzwachtelen. D. S. R.

— = (Bieman) Het vlieggat sluiten en een biekleed onder aan den korf doen. Die zijn bieën wilt vervoeren, moet zijn korven bijtijds opdoen.

OPDOPPEN. werkw., overg.. = Opnemen, van vochten. C. D. S. Dopt die olie op of ze maakt een plek.

Gewest, bij V..

OPDRAAIEN, werkw., overg . — Z. Wdb..

— (Wever) Een stuk opdraaien, het rond den boom winden, het opboomen.

OPDRAAIEN, werkw., overg.. —Z. Afdraaien.

— = Wijsmaken. S. T. R. Iemand een leugen opdraaien. Ge hebt u daar wat laten opdraaien.

Ook ophangen en opvijzen.

OPDRAAIER, z, nw., m.. = (Blokkenm.) Langwerpig, tweesnedig snijmes waar men de schoenen mede opdraait.

OPDRACHT, z. nw., vr.. = Opgang, hoogte. D. Daar is te weinig opdracht aan onzen akker.

Vergel. afdracht.

Z. Verdam.

Opdracht, met de gekende beteekenissen , wordt door Wdb. der Ned. T. « in Zuid-nederland m. » geheeten. Ik hoorde 't altijd vr.gebruiken.

59-

Sluiten