Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OPDRAGEN, werkw., onov. (hebben). = Rijzen, veel hooger liggen in het midden dan op de kanten. Die akker draagt te veel op.

Zie Verdam , II, i).

— Opdragende zijn van wezen of van koleur, rood van aangezicht zijn.

— overg. Duiven opdragen , ze een end verre van 't kot wegdragen en daar oplaten.

Ook opleeden.

OPDRIEGEN, %verkw., overg.. = (Kleermak.) Al driegende het bovengoed aan de voering hechten. Nen frak opdriegen. Hij heeft dien rug slecht opgedriegd.

OPDRIFT. z. nw., m.. -= Aandrijving, persing. De lablok dient tot aandrift van het lawerk.

OPDRUMMEN, werkw., overg.. - (Schrijnw.) Aandrijven , vaster doen sluiten. De planken van 'nen vloer opdrummen.

OPDRINKEN, werkw., overg.. - Verteren door te drinken. C. T. R. Zijnen lesten cent opdrinken.

OPEEN, bijw.. = Op malkander. Z. Wdb..

Met dit woord maken wij zeer veel samengestelde werkwoorden, zooals : openschuiven, opeenstaan , opcenstampen , opeenstrooien , opeentuimelen, opeentrappen, opeenvallen, opeenvliegen , opeenvoeren. Veel er van komen in de woordenb. niet voor. Wij geven eenige stalen.

Alle zijn scheidbaar.

OPEENBINDEN, werkw., overg.. — Boven elkander binden. Bindt die twee stokken opeen, dan zult ge aan de appelen kunnen om ze af te slaan.

OPEENDOUGEN. werkw., overg.. = Op elkander duwen. C. T.

Bij C. en T. opeendouwen.

OPEENLOOPEN. werkw., onov. (hebben en zijn). = Op elkander varen. Die twee schepen liepen opeen.

OPEENMALEN. werkw., onov. (zijn). — Op elkander malen. Als de stoombooten vandaag met zulken dikken mist blijven varen, is er kans dat ze opeenmalen. 't Was gisteren zoo een danige mist dat er twee schepen opeengemalen zijn.

OPEENMETSKLEN. OPEENMETSEN. werkw., overg.. = Boven elkander metsen. Die metsers hebben het stieleken beet, ze metsen zij zoo wat steenen opeen en op den duur staat er geheel 't gebouw.

OPEENNEÜKEN . werkw., overg. = Op elkander smijten. Zie eens wat weinig zorg dat hij veur zijn kleeren heeft : in plaats van ze schoon weg te hangen , neukt hij dat daar allemaal opeen. Ge moet niet peizen dat er nog iets van dat goed te droogen hong : 't was allemaal opeengeneukt van die duvels van die jongens.

OPEENROOIEN. werkw., overg.. Opeengooien. Rooit die vodden liever wat opeen in eenen hoek, liever als ze daar zoo te laten liggen. Daar kan geen een van die balen verloren zijn, want ze waren daar opeengerooid in den hoek en niemand heeft er aan geweest.

OPEENSMEREN . (zware (), werkw., overg.. = Met geweld opeengooiën. Z. Opeenneuken.

OPEENSPETEN, werkw. overg.. —- Op elkander spelden. C. Speet die twee rekeningen opeen.

OPEENTASSEN, werkw., overg.. = Op malkander tassen. C. T. De bussels stroo opeentassen.

OPEN , bijv. nw. en bijw.. — Z. Wdb..

Spr. : Met open kaarten spelen , rechtzinnig zijn. De dagen gaan maar open en toe, zijn zeer kort. Open deuren wachten best het huis. De hemel gaat open en toe, als, bij een onweder , de bliksem hevig flikkert.

— Open lijf, maag die gemakkelijk ontlast.

— Open weder, dooi na vorst; ook, weder inden Winter, zonder vorst. C.

— Open eerde, grond die ontdooid en bebouwbaar is. D.

— (Schipp.) Een schip met open dek, een schip zonder luiken. Een open schip, een schip zonder vooronder. Open lik. Z. Lik.

— Open vier, ijzeren kachel met zichtbaar vuur en eenen rooster langs buiten. C. D.

— Open tafel houden, ieder die wil komen, vergasten. Sommige menschen als er hun zoon uitlot, houden open tafel.

— Open zijn. Wordt gezeid van eene zweer of eene wonde die opengebroken is.

— Open werken. Z. Hol.

OPENBOOMIG, bijv. nw.. — Openboomige grond, met zachten en diepen bewerkbaren bodem.

OPENDOEN, werkw., overg.. —Z. Wdb..

Spr. : Iemands briefken of boeksktn opendoen. Z. Boeksken.

OPENDRUMMEN, werkw., overg.. = Al drummende openen. Daar was zooveel volk buiten dat ze de deur van de zaal opendrumden.

OPENGAAN, werkw., onov. (zijn). —Z. Wdb..

— = Spreken. Ik meende dat hij over zijn moeder zou gesproken hebben , maar hij gaat er niet van open. Van geen opengaan weten, volstrekt niets zeggen.

OPENGERAKEN. werkw., onov. (zijn). = Eindigen met open te gaan. D. Als ge er lang aan stampt, zal de deur wel opengeraken.

OPENHALEN, werkw., overg.. — (Nonspel) Een non openhalen, ze openkampen met eene andere non.

OPENHOUDEN, werkw., overg.. — Een huis, een herberg, 'nen winkel openhouden, in dit huis . die her-

Sluiten