Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— (Kaartsp.) Een kaart opl/ggfti, er eene leggen op de reeds gespeelde.

— (Wever) Den kop opleggen, de kanten van den kop schoon op elkander leggen.

— = Inleggen, inmaken, toebereiden. C. S. R. Boter opleggen.

OPLEGGER, z. nvv., m . = (Wever) Dun latje in de gedaante van een mes , waar de kop , of het garen rond den garenboom mede in orde gelegd wordt.

Velen gebruiken daartoe den vinger alleen.

OPLEKEN. werkw., overg.. — (Mandenmak.) De manden opteken, tusschen de staken de wisschen vlechten , het eerste werk der manden ophoogen.

Ook oplijken.

OPLETSEN. werkw., overg.. = Met eene lis aaneenmaken. Nen draad opletsen.

OPLEVEN, werkw., overg.. = Verbruiken om van te leven. C. D. S. In zijn ouden dag begon hij al zijn goed op te leven.

Gewest bij V..

OPLIJKEN, werkw., overg.. — Z. Opteken.

OPLIGGEN, werkw., onov. (hebben), scheidb.. — (Breister) Desteken blijven opliggen, de draad blijft op de naald liggen. Dit gebeurt, onder andere , wanneer de kous, bij gebrek aan behoorlijk gewicht , niet genoeg doorzakt.

OPLIKKEN, werkw., overg.. — 7.. Aflikken. V.

OPLINGEN, werkw., overg.. = Dunner maken. De soep oplingen.

OPLOOP, z. nw,, m.. —Z. Afloop.

OPLOOPEN. werkw.( onov. (zijn). — Toenemen, veel kosten, van spelen en uitgaven. V.

Ook oprijden.

— = Dik worden, zwellen. Z. Opajgen. K. tumescere.

— Ophopende werk, werk waarbij men niet stil moet zijn, maar nu en dan in beweging komt.

Bij C. afloopend.

■—=(Schipp.) Al varende bereiken. Als de tij ver gevorderd is_, gebeurt het meermaals dat een zeilschip eene gewenschte haven niet meer kan oploopen.

OPLOOPIG , bijv. nw.. --= Oploopend , driftig. C. S. K. tumultuosus, cerebrosus.

OPLUCHTEN, werkw., overg.. .-= Losser, lichter maken. Het hooi dat op de meerschen ligt, moet intijds opgelucht worden. Men lucht met den riek den grond op, als hij te vast ligt.

OPMAKEN, werkw., overg.. — (Bakker) Den deeg, hel brood opmaken , het deeg op bollen maken en hem den gewonen broodvorm geven.

Ook opwerken.

— ~ Voltrekken , gansch afmaken. D. K. omate et absolute conficere. Veurdat ik die kas ten toon stel, moet ik ze nog opmaken.

— = Ophitsen, aanstoken. C. D. S. T. R. Die man maakt alleman op om naar Amerika te gaan.

Gewest, bij V..

— Opgemaakt spel, vooraf beraamde zaak. C. R.

OPMAKER, z. nw., m.. = Aanhitser , kwaadstoker. V. D. S.

OPMAKERIJ. z. nw., vr.. = Kwaadstokerij.

OPMETEREN, werkw., overg.. = In meters stellen, tzij in loopende , tzij in kubieke meters.

Wordt meest gezeid van riet en latten.

OPMETSEN. werkw., overg.. = Opmetselen. C.

OPNAAD, z. nw., m.. — Z. Nopnaad. D. S. en Lemp.

OPNEMEN, werkw,, overg.. = Opteekenen. C. D. S. De notaris is gekomen en hij heeft alles opgenomen wat er in huis was.

— = Schatten, prijzen. V. C. T. R. Veurdat ik die boomen koop , zal ik ze nog eens doen opnemen. — Eene gewoonte maken van. D. Mijn manneken heeft opgenomen van te pinken. Wel ! wel! zoo bot spreken , waar hebt ge dat opgenomen ?

Gewest, bij V..

— = Vatten, verstaan, opvatten. Ik had het hem wel twintig keeren uitgeleid en toch kost hij het niet opnemen. Ge meugt mijn woorden niet verkeerd opnemen.

— Slecht van opnemen zijn, slecht, moeilijk leeren, weinig verstand hebben. Dat is maar een opnemen, zegt men van 't een of 't ander werk of ambacht, om te beduiden ; 't geldt alleenlijk dat te verstaan om het te kunnen doen.

OPOESTEN. werkw., overg.. = De laatste aren die bij het binden blijven liggen zijn , opzoeken. De aren opoesten. D.

OPPAKKEN, werkw., overg.. = Opnemen, optillen. Ik kost dien zak niet oppakken dat hij zoo zwaar woog.

Gewest, bij V..

— ■= Verstaan , opvatten. Hij pakt alles in eenen verkeerden zin op.

Oppakkens , (in 't bikkelspel) de bikkels op te nemen.

— wederk. = Vertrekken, weggaan. Pakt u op, gij leelijke deugniet !

OPPASSEN, werkw., overg. en onov. (hebben). — Z. Wdb..

Spr. : Oppassen is de boodschap. Z. Boodschap. Opgepast en niet gelachen, gemeenzaam, voor lel op, neem acht.

Sluiten