Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OPRIDDEREN, werkw., overg.. — Opredderen, schikken, zuivermakcn. D. S. Als het eten gedaan is , wordt de tafel opgeridderd.

OPRIJDEN, werkw., overg.. — (Boer)Ren voor oprijden , eene voor uitrijden , er dan in weerkomen met een half slependen ploeg, niet om dieper te rijden , maar om de voor wat beter open te maken. D. T.

Ook opstrijken en uitstrijken.

— (Boer) De kanten oprijden, met den ploeg drij of vier voren rond den akker rijden.

— = In een rijtuig vertrekken. Hij is met mij te zeven uren met den omnibus opgereden.

— = Zich uit de voeten maken, haastig weggaan of loopen. C. Als hij zijnen vader met 'nen stok zag, reed de jongen op ! Rijd op , gij stoute kerel !

— onov. (zijn) = Oploopen, veel kosten. Ik doe dat spel niet meer , het rijdt te veel op.

OPRIJ(E)N, werkw., overg.. — Oprijgen.

— (Boer) Den vlegel oprijen, den vlegel met eenen nesteling in de vlegelkap vastbinden.

OPRIJVEN, werkw., overg.. —Z. Opraken. C.

Gewest, bij V..

OPROEP, z. nw., m.. = Beroep. D. S. Nen oproep doen op 't volk.

Bij V. Zuidned..

OPROER, z. nw., m. (niet o.). — Z. Wdb.. R.

OPROKKEN. werkw., overg.. = Oprokkenen. Z. Wdb..

Spr. : Die het oprokt, moet het af spinnen, die een werk begint, moet het voltrekken.

— = Herinneren, ophalen', sprek. van onaangename, kwetsende zaken. C. Eens dat iemand hem gebeterd heeft, is't niet meer noodig zijn vroegere fouten op te rokken.

OPROLLEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Zijn matten oprollen, er van doorgaan.

— tusschenw. (zijn) = Tot eene rol worden. Dat papier is deur de warmte heel en gansch opgerold.

OPROOIEN, werkw., overg.. = Opwerpen. C.

— Met centen (knoppen, schotelkens) oprooien. Spel. Twee gezellen geven elk b. v. 2 centen. De oprooier klutst die in de handen en werpt ze omhoog. De centen die kop liggen , zijn voor hem ; de andere, voor den tweeden gezel.

Ook opsmijten.

— Met marbollen oprooien. Kinderspel. Een jongen neemt een, twee of drij marmels en legt ze van boven op zijne hand tusschen de vingers ; een. andere speler legt er evenveel nevens. Nu moet de eerste de marmels naar omhoog werpen en ze met dezelfde hand terug trachten te vatten. Heeft hij ze altemaal, dan zijn zij voor hem ; valt er een of twee ten gronde , dan is hij verloren. Aldus speelt elk op zijne beurt.

— Oprooien met den bal. Men maakt een vak op de speelplaats bij middel van twee lijnen. Buiten elke lijn staat een speler , middenin staat de vijand. De twee spelers kaatsen den bal naar elkander en moeten hem opvangen, zonder dat hij den grond raakt. Valt hij of komt hij in de handen van den vijand , dan is de speler die den misslag begaan heeft, verloren en moet in het vak gaan staan, terwijl hij die den bal vatte , zijne plaats als kaatser inneemt.

~ Oprispen, van de maag en zekere spijzen gezeid. Mijn maag rooit op. Drooge hering heeft mij altijd opgerooid.

— Z. Opkommen.

OPSASSEN. werkw., overg. en onov. (zijn).— Z. Opschuilen.

OPSCHAfR)REN , OPSCHEIREN. werkw. overg.. = Bijeenrapen en opnemen. C. S. T. Ge moet dien afval wat opscharren.

— Z. Opschudden.

— = Opdoen , vernemen , hooren. Waar hebt gij al dat aardig nieuws opgeschard ?

OPSCHIETEN, werkw., onov. (zijn). — Wordt gezeid van planken die eenen struik maken en later in eenen stam of stengel opgroeien om zaad voort te brengen, gelijk andijf, salade en rapen. D. Andijt die seffens opschiet, is een slechte soort. Men nijpt den kop van de tabakpjanten uit, opdat zij niet zouden opschieten.

— overg.. = Verschieten. C. T. R. Al zijn pijlen zijn opgeschoten.

— onov. (hebben) = De eerste schieten. T. Wie mofit er opschieten ?

— onov. (zijn) = Snel hooger en hooger komen, ras opkomen. Het water schiet op.

— Langzaam vooruitvaren. Er loopt nog geen vloed , want de schepen schieten nog niet op.

= overg. — (Schipp.) Op eene rol doen, van eene touw gezeid. Alvorens een touw te bergen, schieten ze die op.

(Schipper) Een lijntje opschieten, eene touw die eerst opgerold is , ver van zich afwerpen , terwijl men een der uiteinden blijft vasthouden.

OPSCHINKEN, werkw., overg.. — Opschenken.

— Kaffee, thee opschinken, zetten.

OPSCHOEFELEN. werkw., overg.. = Gulzig opeten. C. Heel een test patatten opschoefelen.

OPSCHOOVEN, werkw. overg.. = Opplunderen, alles wegnemen. Iemands huis opschooven.

Bij D. opschobberen en opschofferen.

OPSCHORPEN, werkw,, overg.. — Een beest opschorpen , in het vel der geslachte beest die in de blokken ligt, eene snede in de lengte en in de breedte geven, om ze gemakkelijker te kunnen villen. K. proseccire.

Ook schor pen.

Go.

Sluiten