Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— werkw., onov. {hebben), scheidb.. = (Boer) Later kalven dan verwacht wordt. C. D. Ons koe gaat soms drij weken over.

Ook over heur rekening gaan of zijn.

— (zijn) scheidb.. = (Schipp.) Op zijde gaan, scheef varen. Het schip gaat over van den storm.

= Naar eene andere zijde schuiven. De lading is overgegaan. V. De schepen wier lading overgegaan is, varen scheef.

— (zijn) = Verteren , vervliegen, niet duren. Mosselkens zijn koolkens die niet aanhouden, want ze gaan over gelijk mok.

OVERGANG, z. nw., m.. = Heerschende ziekte waardoor er velen te gelijker tijd aangetast worden. C. S. T. K. lues. Daar is nu een overgang van grippe, God weet of wij ze ook niet krijgen.

OVERGERAKEN. werkw., onov. {zijn). - Overraken. C.

OVERGEVEN- werkw., overg., scheidb.. — Z. Wdb..

— = Aangifte doen, déclarer. Hebde uw kind op 't stadhuis al overgegeven ?

OVERGROEIEN, werkw., wederk., onsch.. = Te veel op te weinig tijd groeien. Mijn dochter heeft heur overgroeid.

OVERHALEN, werkw., overg., sch.. = (Katoen-' vefv.) Katoen of wol op eenen stok rollen en ze zoo achtervolgens laten verven. Katoen overhalen. Hij heeft wol overgehaald.

— = Verhuizen. C. S. Ik moet vandaag onzen gebuur overhalen.

— = (Schipp.) Op eene zijde trekken. Een schip overhalen.

— = (Schoenmak.) Van voren oppinnen. Men haalt den schoen over, als men het voorste deel er van aan deleest nagelt. Nen schoen overhalen.

Ook overtrekken.

— onsch. = Doen besluiten. Ge moet hem overhalen om mee mij mee te gaan.

Bij V. scheidb..

OVERHAND, bijw.. - Beurtelings, afwisselend, C. D. S. K. alternatim. Laat ons ieder overhand spreken , in plaats van samen te klappen.

Bij R. overand(s).

Spr. : Ieder overhand, gelijk Jan Maes zijn honden die bassen , al lachende gezeid , als er velen te gelijk praten.

OVERHANlDJSEN, werkw., overg., onsch.. = (Kleermak.) Overhands naaien , met zeer dichte steken overnaaien. De baveroozen van eenen frak overhandsen.

Ook overshan(d)sen.

OVERHEETEN, werkw., overg., onsch.. = (Smid) Te veel heeten. Ken stuk ijzer overheeten.

OVERHOOPGERAKEN, werkw., onov. (zijn). = Overhoopraken, in de war raken. Met uw zoeken en snuffelen geraakt heel de kas overhoop.

— — Geschil krijgen, 't Is veur een kleinigheid dat ze overhoopgeraakt zijn.

OVERHOOPROOIEN. werkw., overg.. = Door elkander smijten.

OVERHOOPSTAAN, werkw., onov. (hebben). =

In wanorde staan. Al de meubels van de kamer staan overhoop.

— = In rep en roer staan. Deur het vechten van die gebuurvrouwen staat heel de straat overhoop.

OVERHOOS(CH)EN. werkw., overg., onsch.. = Gansch behoozen.

Bij C. en S. overhoozen.

OVERHOUDEN, werkw., wederk., sch.. —Z. Overblijven, 2°. Wij gaan wandelen, als 't weer hem overhoudt.

Bij S. niet wederk. : « 't weer zal overhouden. »

OVERHUL. bijw.. = Overhoop. Alles ligt en staat overhul op den koopdag.

OVERICHTIG (klemt, op rich), z. nw., o.. -Overige. Ge moet mij zestig frank betalen en 't overichtig is veur u.

OVERJAARSCH, bijv. nw.. = Overjarig. C. D. S. Overjaarsch vlas is dikwijls rostachtig.

Gewest, bij V..

OVERKEEREN. werkw., overg., scheidb.. — (Kleermak.) De voering van de mouw aan het armsgat vastmaken. Een mouwvoering overkeeren.

OVERKLAPPEN, werkw., overg., onsch.. —Tot uw gedacht overhalen door te praten. Hij was van zin naar Antwerpen te gaan, maar ik heb hem overklapt en nu is hij thuis gebleven.

O VERKNABBELEN, werkw., overg., onsch.. -= Over 't geheele voorwerp knabbelen. C. T. R.

OVERKNAGEN, werkw., overg., onsch.. = Aan iets langs alle zijden knagen. C. T. De muizen hebben heel dien appel overknaagd.

O VERKOMMEN, werkw., onov. (zijn), scheidb.. = Zich overgeven, zijn ongelijk bekennen ; zich schikken naar eens anders oordeel. D. S. K. conjicere cum aliquo, pacisci. Wacht tot dat zijn koppigheid over is, hij zal dan overkommen.

— = Gebeuren. Weet gij al wat er mij overgekommen is ?

Bij V. onsch..

— = Ergens gaan om te bezoeken. Wanneer komde bij ons eens over ?

Ook oversteken.

61.

Sluiten