Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVERKOMST, z. nw., vr.. Bezoek. D. Ilc moet mij haasten om thuis te zijn uit de misse , want wij liggen vandaag met overkomst.

Zuidned. bij V..

OVERKOOPEN, werkw., wederk., onsch.. == Te veel koopen ; te duur koopen. De fruitkoopman zal naar ons peren niet meer omzien, hij heeft hem over kocht.

OVERLEG, z. nw., m. (niet o.). — Z.*Wdb..

Spr. : De overleg is de helft van 't werk. (

OVERLEGGEN, werkw. overg. en onov. (hebben), sch.. = (Schaatser) Beurtelings den eenen voet over den anderen plaatsen in hel rijden. D. S. Kunt gij voetje overleggen ?

OVERLEST, bijw.. = Niet lang geleden, onlangs. C. S. Overlest kwam ik mijnen vriend tegen.

Bij D. overlaatst en overlaatsten ; bij S. ook overlestens.

OVERLEZEN, werkw., overg., onsch.. = Vluchtig doorlezen. C. Nen brief overlezen.

Bij V. scheidb..

OVERLOMMEREN, werkw., overg.. = Overschaduwen. Z. Wdb..

— (zijn) tusschenw.. = Met kleine wolken betrekken , van de lucht gezeid. De lucht is overlommerd.

OVERLOOP, z. nw., m.. — Z. Achteromloop.

— = (Schipp.) Ijzer waar de ring van de fok of van den zeileschoot in geschoren is.

OVERLOOPEN. werkw., overg. (hebben), onscheidb.. = In alle richtingen doorloopen. C. Nen akker overloopen om te zien of er geen molreeën

zijn-

— = In der haast overzien. C. T. Ik zal uwen brief eens overloopen.

Bij V. scheidb..

— Z. O ver v gr en.

— onov. (zijn), onsch.. — (Boer) Te haastig groeien en rijpen, zoodat er onvolwassen korrels in de aren zijn, van 't graan gezeid. Dat graan is overloopen.

— onov. (hebben en zijn), scheidb.. — Kinderspel. Onverschillig het getal spelers. Men maakt twee meten aan de beide uiteinden van de speelplaats. Men telt af wie de anderen moet katten of wie de oude is.

De oude zet zich in het midden der speelplaats, de andere jongens gaan over de twee meten staan. Nu loopen zij over van de eene meet naar de andere. De oude zet ze achterna en heeft het recht hen te katten , zoolang zij niet terug over de meten zijn.

Die gekat zijn, moeten den oude de anderen helpen vangen ; kunnen zij eenen leerling krijgen

binnen de meten, dan moeten zij hem vasthouden, totdat de oude hem aangeraakt heeft.

Zoo tracht men al de andere te katten ; wie het laatst gevangen is, moet de oude zijn in het volgende spel.

— (hebben) Niet overloopen, niet groot zijn. Zijn geleerdheid loopt niet over.

OVERLOOPER, z. nw., m.. — Z. Achteromloop,

OVERMANGELEN. werkw., overg., onsch.. = Vermangelen, verwisselen. S. Willen wij overmangelen van horloge ?

OVERMAST, bijv. nw ..—Een schip is overmast, als het te hoog van mast is , waaruit overtol van tuig volgt. V.

OVERMASTEN. werkw., onov. (hebben), scheidb.. = Overwerken.

OVERMERGEN. bijw.. = Overmorgen. C.

OVERMETSEN. werkw., overg., onsch.. — Overmetselen. C. S. Nen waterloop overmetsen.

OVERMUISTEREN. werkw., overg., onsch.. = Nauwkeurig, onderzoekend overzien. Ik zal mijn geld niet meer vinden , want ik heb alles goed overmuisterd.

O VERNAGELEN, werkw., overg., onsch.. Overspijkeren.

OVERNOES. bijw.. - Overschuins, in schuine richting. D.

Bij C. en S. ovemuusch.

OVEROUDS, bijv.. Eertijds. Het gebeurde veel overoud^. Dat is gewoonte van overouds.

OVERPAMPELEN . werkw., overg., onsch.. = Overtasten , verfrommelen. S. Wat staat gij dien brief daar te overpampelen ? Gij maakt hem zoo vuil dat ik hem zal moeten herschrijven.

OVERPOEFEN. werkw., wederk., onsch.. — Z. Overboefen. D. S.

OVERRAKEN, werkw., overg., onsch.. =Overharken. D.

Ook over rijven.

OVERREEKEN. werkw, overg., scheidb.. = Overreiken.

— wederk., onsch.. = Te verre reiken. Ik heb mij overreekt naar die peer.

OVERROEPEN. werkw., overg., onsch.. = De weerde van iets overdrijven , iets meer prijzen dan het verdient. D. De schade aan het beesteneten is deur de boeren nijg overroepen.

OVERROOIEN. werkw., overg., scheidb.. = Overwerpen. Schipper, rooi mij die touw eens over.

Sluiten