Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVERSTREKEN, bijv. nvv.. — Z. Overdreven.

OVERTASTEN, werkw., overg., onsch.. = Overal betasten. C. D. T. De dief wierd deur de gendarmen overtast.

OVERTIJD, bijw.. — Z. Over.

OVERTIJDS , bijw.. — Z. Over. D. S.

OVERTOTTEREN. werkw., overg., scheidb.. = (Topepel) Met den top over de meet stooten. In hoeveel keeren zou ik uwen top kunnen overtotteren ?

O VERTRAPPEN, werkw., overg. en onov.

• (hebben), scheidb.. = (Wever) Op de geterten trappen om de schachten naar omhoog en omlaag te bewegen. Ik kan dat werk bijkans niet overtrappen.

— = Met het een been over het ander treden.

OVERTREK, z. nw„ m. (niet o.). — Z. Wdb.. C.

— = Overjas.

OVERTREKKEN, werkw., overg., scheidb..— Z. Overhalen.

— onov., (zijn), onsch.. = Met wolken bedekt worden . sprekende van de lucht. C. D. S. T. R. K. obnubilare. De lucht overtrekt al meer en meer, strak zal het nog donderen.

OVERTRENSEN, werkw., overg., onsch.. = (Kleerm.) Overnaaien met een knopsgatsteek.

OVERUUR, z. nw., vr.. = Uur overwerk. Als ik tot negen uren werk , moet ge mij twee overuren betalen.

OVERVAAKT, bijv. nw.. = Zeer grooten lust tot slapen voelende. C. S. Hij moet naar mijn bed, want hij is overvaakt.

Zuidned. bij V..

OVERVA DE MEN, werkw., overg., onsch.. = Met de armen omvatten. S. T. Nen boom overvademen.

OVERVALLEN, werkw., overg., onsch.. = Meester zijn, bestieren, bewerken. Die boer zal achteruitgaan , hij heeft zooveel land dat hij 't niet kan overvallen.

— = Gebruiken, vervoederen. Ik heb dees jaar zooveel klavers dat ik ze niet overvallen kan.

— = Bekostigen. Vier honderd frank 'sjaars, dat zullen wij wel kunnen overvallen.

OVERVEREN (zware e), werkw., overg., onsch.. = (Schipp.) In den grond varen , in stukken varen. Door het mistig weer is een Noordsche brik

deur 'nen stoomboot oververen en gansch de bemanning verdronk.

OVERVLOED, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Overvloed schaadt niet. Overvloed bederft.

O VER WATER, z. nw., o.. = (Schipp.) Water dat bij onstuimig weer over het varend schip vliegt.

OVERWEG, z. nw., m.. = Weg langs waar iemand het recht heeft naar zijnen eigendom te gaan, en die over eens anders goed loopt. Moest hem die overweg afgenomen worden, hij kost op zijnen akker niet meer geraken.

OVERWEGEN, werkw., onov. (hebben), onsch.. = Te zwaar zijn. Hij heeft maar vier dagen van de week gewerkt, zijn geld zal hem Zaterdag niet overwegen.

O VER WRIJVEN, werkw., overg., onsch.. = Afranselen, eene vracht slagen geven. Komt nog eens op onzen hof en ik zal u overwrijven.

O VERZEGGEN, werkw., overg., scheidb.. = Aan iemand anders zeggen, zonder en soms met gedacht van verklikking. Ik ga van huis, zeg dat over aan den knecht, dan zoekt hij niet nutteloos naar mij, als er iemand vremds komt.

OVERZETDIENST. z. nw., m.. = (Schipp.) Al wat betrekking heeft op den overzet. Nen overzetdienst inrichten.

OVERZETTEN, werkw., overg., scheidb.. — ' (Wever) Den kam overzetten. hem over de fribbels zetten.

— = Helpen. S. Boeren zetten malkander over met aan malkander 't een of 't ander stuk van hunnen alm te leenen.

— onov. (zijn) = Voortzetten, besmetten. C. S. Die zwakheid zet over van vader tot zeun.

OVERZIEN . werkw., overg., onsch.. = Vluchtig overlezen ; nazien om te verbeteren. C. Laat mij den brief eens overzien, veurdat ge hem wegzendt.

Bij V. scheidb..

OVERZIENSTER. z. nw., vr.. (Breister) Dochter die het werk der breisters naziet en de fouten herstelt die zij begingen.

OVERZINGEN, werkw., overg., onsch.. = Luider zingen dan een ander. S. Ge overzingt al de kinderstemmen.

— wederk. = Zich vermoeien door te veel of te luide te zingen. Ik heb mij gisteren in de kerk overzongen.

Sluiten