Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PEERDEiN KUTSER. z. nw., m.. - Die peerden koopt en verkoopt. D. K. hippoplanus.

Bij D. en K. ook peerdenhuts.

Gewest, bij V..

PEERDE(N)MES , z. nw., o. (niet m.). = Paardenmest. C.

PEERDENOOG, z. nw., vr.. = Vijffrankstuk. S. T.

Bij C. peerdsoog ; bij D. peerdooge.

— Peerdenoogen, meerv., spiegeleieren, ocufs au miroir, oeufs sur plat.

PEERDE(N jPLOTER. z. nw., m.. Paardenslachter.

Ook peerdenprosser.

PEERDEiN)POED(E)R, z. nw., o.. = Pellen en stof die van het lijf eens peerds komen, als het geroskamd wordt.

Bij C. peerdezweet.

PEERDE(N)POOT (scherpe o), z. nw., m.. - Z. Boterblom, 3°

PEERDE(N)PROSSER . z. nw., m.. — Peerdenbeul. C. S.

Z. Peerdenploter. C.

PEERDE(N)STEKEL. z. nw., m.. = Waarschijnlijk wat D. peerdedistel noemt, fam. Compos..

PEERDE(N)SULKER, z. nw., m.. - Z. Mtipte. C. D. S.

PEERDEfN JTANDEN , z. nw., m. meerv.. = (Kruidk.) Zca mays, var. alba, maïs , dent de cheval, fam. Gram.. D.

Is de gewone Turkscht tarwe niet.

PEERDE(Nj WACHTER, z. nw., m— Z. Koetsepeerd en Koevoet. S.

PEERDE(N)WEPS. z. nw., vr.. = Horzel, frtlon , vespa crabo. S. R.

Ook peerdershorgtl, peerdsegel, peerdshorgel, peerdshorzel, pterdshuchel enpttrdshulstl.

PEERDE(Nj WORST, z. nw., vr.. = Vel met gehakt peerdevleesch gevuld.

PEERDER (scherpe t), z. nw., m.. — Z. Pierder.

PEERDSHORGEL. z. nw., m.. — Z.Peerdenwesp.

PEERDIG, bijv. nw.. — Hengstig. D. S. K.peerdighe merie = Equa pruriens.

PEERDJE (zware e), z. nw., o.. = Klein peerd.

— = Naald in het raadsel :

Een stalen peerdje,

Met een vlassen steertje,

Hoe harder dat dat peerdje liep, Hoe korter dat zijn steertje wierd.

— = (Wever) Ieder der twee latten die van eiken kant des getouws naar het midden komen en elk aan een zeel verbonden zijn tusschen de geterten

en den kam. Depeerdjes dienen om het garen te doen wisselen.

PEERDJESMEULEN. z. nw., m..—Z. Mallemeulen. C.

PEERDKWISPEL, z. nw., m.. = (Voerm.) Stok waar een peerdesteert aan vastgemaakt is , om het stof uit het haar der peerden te slaan.

PEER(D)SCH. bijv. nw.. = Tot de peerden genegen. Onze knecht is niet peerdsch.

PEER(D SCH, z. nw., o.. — Z. Peerd.

PEER DiSEEMER, z. nw., m.. = Emmer die alleen gebruikt wordt om de peerden te wateren.

PEERDSEGEL, z. nw., m.. — Z. Peerdenwssp.

PEERfD SHAAR (zware e), z. nw., o..= Paardenhaar. Veel kussens worden met peerdshaar gevuld.

PEER D)SHAREN, bijv. nw.. = Paardenharen. Een peerdsharen kussen.

PEERD SHORGEL. z. nw., m.. —Z. Peerdenwesp. .

PEER(D)SHORZEL, z. nw., m., — Z. Peerdenwesp. C. S.

Bij D. pttrdhorzel ; bij S. ook peerdenhorzel.

PEER D SHUCHEL, PEERfD SHULSEL , z. nw., m.. —Z. Peerdenwesp.

PEER(D)SKALF. z. nw., o.. = Gedrochtelijk kalf eener koe. Het peerdskalf is van achter dik gevleesd; zijne achterkwartieren, met koehaar bewassen, zijn gelijk aan die van een peerd ; de steert is korter , ligt dieper en staat hooger dan bij een gewoon kalf.

PEER DjSKLAVER. z. nw., vr.. — Z. Peerdenklaver.

PEER(D;SKNOOP (scherpe o), z.■ nw., m.. = Drij- of vierdubbele knoop dien men alleenlijk aantreft in de peerdenzweepen en soms ook in de oude klokreepen.

Ook zwetpknoop.

PEERfD SKRUID. z. nw., o.. — Z. Ascligrauw.

PEER(D)SLIJN, z. nw., vr.. = (Voerm.) Peerdelijn, koorde die aan de loeniën vastgemaakt is en waar het peerd mee gemend wordt.

PEEREN (scherpe t), werkw., onov. [hebben). — Z. Pieren.

PEERETER (pter, zware e), z. nw., m.. — Z. Appelbie. S.

PEERLAMOER (zware f), z. nw., o.. = Parelmoer , nacre.

Bij D.peerltmotn en perelmoer ; bij S. perlamoer.

PEERLAMOEREN. bijv. nw.. = Parelmoeren. Een peerlamoeren snuifdoos.

Sluiten