Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PIETEPOVER, z. nw., m.. = (Vogel) Roodborstje , Erithacus rubecula, rubiette rouge-gorge.

Zoo heet ook Erithacus cyanecula, rubiette gorge-bleue, doch dat vogelken is hier niet veel te zien.

Ook pietjepover, polvertiet, pover, povertiet en roodpover.

PIETER. z. nw., m.. = Petrus.

Spr. : Sinte Pieter is aan 't kegelen, het dondert. Sinte Pieter op Ons Heer leggen, iets eten dat min goed is achter iets bijzonder goeds.

Liedje dat men op Sint-Pietersfeest soms zingt, al dansende onder eenen roozenhoed, die hoog over de straat gespannen is :

Stokvier, maakt stokvier !

Sinte Pieter is hier Om zijn bloote armen Nog wat te warmen.

Ik pakte daar twee krukken,

Ik sloeg mijn vierken in stukken ;

Ik pakte daar twee staken En ik ging mijn vierken weer maken ;

Ik pakte mijnen grooten teen En ik scharde mijn vierken bijeen. Van roozen, van roozen , Van koorenblommen op onzen hoed.

Hebben wij geen geld, dan hebben wij goed. Viva onzen roozenhoed !

PIETERKEN. PIETERKEUNINGSKEN, z. nw., o.. — Z. Duim hen.

PIETERNELLE. z. nw., vr.. = (Insect) Zonnekever, coccinelle.

Bij S. pimpernelleken.

PIETER WANNES, z. nw., m.. — Petrus-Joannes.

—- Pieter- Wannes oom, oom Petrus-Joannes.

PIETEVOGEL, z. nw., m.. = Vogel, meest door de kinderen gebruikt. C. Onze pietevogel begint te schuifelen.

PIETING, z. nw., m.. — Z. Piet.

PIETJEKEUNING, z. nw., o.. — Z. Duimhen.

PIETJEKOOL (scherpe o), z. nw., o.. —Z. Kattepoes.

PIETJEPOVER, z. nw., o.. — Z. Pietepover.

PIEZER, z. nw., m.. = (Boer) Zolder waarde boer het graan op legt.

Bij S. pezel, pizel.

Pijzei, Zuidned. bij V..

PIJAKKER, z. nw., m . = Pijjakker

PIJK, z. nw., vr.. = Piek. D. O. De Romeinsche soldaten op den Kruisweg hebben pijker..

PIJKEN , z. nw , vr.. = Schoppen Ik heb maar éen pij ken.

Maakt in 't meerv. pijkens en pijkenen. Gij hebt vier pijkens.

— Pijhens meerv., geld De man heeft veel praats , maar geen pijhens.

PIJKEN AAS. z. nw.. o.. = Aas van schoppen D.

— — Stuitstuk van eenen vogel. D. Het pijkenaas van een kieken.

PIJKENEN EN PIJKENS , z. nw., vr., meerv..

— Z. Pij hen.

PIJKIJZER, z. nw., o . = Oude man, maar die nog recht en kloek is en nog goed kan werken.

PIJL. z. nw., m.. — Z. P ijlste er i.

PIJL. z. nw., m.. — Z Wdb..

Spr. : Zoo rap, zoo recht als een pijl uit den boog. Vliegen gelijk een pijl uit den hoog, zeer snel loopen. Niet meer weten van wat hout pijlen maken. Z. Hout. Zijn beste pijlen zijn verschoten, zijne beste verweermiddels zijn uitgeput, zijn beste tijd is voorbij.

PIJLE(N)RAPER. z. nw., m.. = (Schieting) Knaap die de vallende pijlen bijeenraapt.

PIJLKAS, z. nw., vr.. = Lange blikken buis om de pijlen in te bewaren.

— = Hooge hoed, schertsende. Die boer heeft zijn pijlkas op.

PIJLSTEERT, z. nw., m.. = (Vogel) Dafila longicauda, canard a queue effilée. O.

PIJN , z. nw., vr.. — Moeite. V. C. S. Dat kan de pijn niet uitdoen, d. i , dat is de moeite niet weerd.

— = Smert, leed. Z. Wdb..

Spr. : Pijn eten. Z. Eten. Hooveerdig moet pijn lijden , door 't moeilijke eener gezochte kleederdracht.

PIJNBANK, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Op de pijnbank zitten , schaamte of vernedering te onderstaan hebben.

— = (Bakk.) Houten bank waar men het deeg op maakt vooral voor den peperkoek.

PIJNEN, werk., overg.. -- Geweldig drukken, nijpen. V. D. S. Die keers is niet genoeg gepijnd.

PIJNGAT, z. nw., o.. — Z. Pijnhol.

PIJNHOL, z. nw., o . — (Nonspel) Een non staat in 't pijnhol, als zij in't kot ligt en ieder er naar kampen mag om er puken in te zetten of scheien af te halen.

PIJP, z. nw., vr.. Z. Wdb.. De pijpen van de broek. Een pijp rooken. De konijnen maken pijpen.

Spr. : Er een pijp van stoppen, er een pijp van rooken , kwalijk met iets varen , zich er slecht mee bevinden. De pijp aan Marten geven, eene zaak opgeven, den moed verliezen. Geen pijp toebak weerd zijn , tot niets deugen , voor niets goed zijn. Naar iemands pijpen dansen , al doen wat hij begeert. Een

Sluiten