Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PIN. z. n\\\, m.. Jonge spiering. Als de pin daaromtrent volwassen is , heet hij spiering.

PINBALK, z. nw., m.. = (Mulder) Balk die aan de daklijsten van den meulen vast is en waar de pinsteen in zit. C.

Bij D. pinnebalh.

PINBEETEL, z. nw., m.. —- (Timmerm.) Lange beitel die op eene pin eindigt en een dikken kop heeft.

PINBOON (scherpeo), z. nw., vr. Suikerboon die langs staken groeit.

PINBOOR (scherpe o), z. nw., vr.. — Z. Puntboor.

PINDERS. — (Nonspel) Als de pin , bij het kampen , uit het nonhout vliegt, is de non pinders.

PINDRAAD. z. nw., m.. = Gevlochten ijzerdraad en met scherpe punten voorzien. Wordt veel aan afsluitingen gebezigd. C.

PINGEL, z. nw.. m.. = Dunne reep , dienende

om eenig voorwerp, vooral staken , recht en stevig te houden. D. Aan de prang zijn pingels om ze recht te houden.

Bij D. ook pinkel; bij S. pengel.

PINGELEN, werkw., overg.. — Met pingels recht en stevig houden. Nen staak pingelen.

Bij S. pengelen.

— (Vinker) De net pingelen. den buitenkant der net bij middel van pingelhaken in den grond vastleggen.

PINGELHAAK, z. nw., m.. = (Vinker) Haak of houten mik waar men de netten in den grond mee vastmaakt.

PINHAMER. z. nw., m.. --(Smid) Hamer uit twee pinnen bestaande. C. D. Hij wordt gebruikt, onder andere, om aan licht ijzer een kleinen rand te slaan.

PINK, z. nw., m.. =Oogenblik, oogwenk. C. D. Hebt een beetje patientie, ik ben op 'nen pink terug bij u. Nen tand uittrekken duurt maar 'nen pink.

Gep. woord. : Op 'nen pink en 'nen heer. eenen oogenblik.

PINK, z. nw., m.. = (Schoenm.) Zwaar, dik en grof leder waar de muil en de hielen van zware schoenen van gemaakt worden. Men gebruikt pink aan baanschoenen . lapschoenen en soldatenschoenen.

Ook pinkleder.

PINKEN, werkw.,onov. (hebben). — (Vinker) Pinkpink roepen, van vinken gezeid. D.

PINKEN. werkw., onov. (hebben). — Flikkeren, glinsteren. De sterren staan te pinken.

Gewest, bij V..

PINKER, z. nw., m.. (Vinkerj Niet geblinde vink die pink roept om de naburige vrije vinken naar den aard te lokken.

OoUpinkvogel.

PINKER , z. nw., m.. = Wimper. S. Er staat een lange pinker aan uw oog, kom, ik zal hem -wat afsnijden.

Bij V. alleenlijk in 'tmeerv..

Bij D. pinkel.

PINKLEfDiER. z. nw., o.. — Zie Pink.

PINKOOG, z. nw., vr.. = Gezwel op't ooglid , orgeolet.

PINKVOGEL, z. nw., m.. — Z. Pinker, i»

PINNAGEL. z. nw., m.. -— Z. Oppinnagel.

PINNE). z. nw., vr.. = Punt. Ge moet dien stok op 't einde met een pinne snijden.

Spr. ; Aan iets een pinne of'tien punt kunnen zuigen . iets kunnen doen , iets verstaan.

Alle stuk hout of ijzeren staaf oü eene nnnt

uitgaande. D. S. Op sommige muren steekt men pinnen om de straatjongens het beklimmen te beletten.

— Veur ie pinne, voor den dag, te voorschijn. C. D. S. R. Veur de pinno kommen. Iemand veur de pinne brengen. Iets veur de pinne halen. Iemand veur de pinne dagen.

— — (Schrijnw.) Bewerkt einde van een stuk hout waarmede het in 't gat van een ander sluit.

Z. Erne.

— = (Breister) Klos waar de sajet of de katoen op gewonden wordt.

Ook tuit.

— = IJzeren punt van eene non. C. D. S.

— - Stoot met de pin op een andere non.

— = Angel. De pin van een bie.

— = Gierige man of vrouw. C. R.

— = Oploopende mensch. Laat die pinne s-eriKt

— = Schreeuwer, greef, zaag. Wat een pin van een kind is mij dat ! Mijn hoofd draait van al dat greven.

— Z. Hol. Pinnen rooien.

PINNEGELD, z. nw., o.. — (Nonspel) Roep deispelers als eene pin, onder het draaien , uit het nonhout schiet.

PINNEMIJN. PINNEMINNE, bijw.. - De non staat pinnemijn, als zij met de pin recht naar omhoog staat.

PINNEN. werkw., onov. (hebben), (Nonspel) De draaiende non herhaaldelijk, van zekere hoogte , van de hand op den grond laten vallen.

— Z. Knopkeii[) in nen.

PINOKELEER (zware e), z. nw., m.. -Boom die pinoken draagt.

Sluiten