Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PLATIJN, z. rnv., vr.. Zool met riemekens over de wreef, sandale. De bruine paters dragen platijnen.

PLAT-IJZERVIJL, z. uw., vr.. = (Smid) Tamelijk groote vijl langs de twee zijden platloopend en gebruikt om plat ijzer te vijlen.

FLATLAND, z. nw,, o.. - (Boer) Effen land , land dat met geen gewenden ligt.

PLATLEGGEN, werkvv. overg., scheidb.. = In eene redeneering geheel verslaan. D. Als hij met mij wilt redeneeren, zal ik hem gauw platleggen.

PLATLOOPEN, werkw., overg.. —- Beloopen zoodat het plat is. De straatjongens hebben al het graan van den akkerkant platgeloopen.

Spr. : De deur, den dorpel ievers platloopen . er zeer veel komen.

PLATPARSEN (rs—ss) werkw., overg.. = (Kleermak.) Met het parsijzer effenmaken. Den kant van 'nen frak platparsen.

PLATREEiDE N , werkw., overg.. — (Schrijnw.) Een plank platreeden, goed effenmaken en in den haak schaven.

Ook reeden.

PLATRIJ DE)N. werkw., overg.. — Door rijden platmaken. De peerden van de soldaten hebben in den oorlog al ons vruchten platgereden.

— —(Boer) Ploegen zonder - gewinden, zonder voren. Het lijnzaadland wordt platgereden.

PLATROEiDE). z. nw., vr.. = (Wever) Roede die de wever in het stuk steekt om de keting te scheiden en gemakkelijk den draad te vinden. C. D.

PLATSALA DE). z. nw.. vr.. — Z. Fleursalade.

— — Waarschijnlijk Leontodon hispidum, liondent velue, fam. Comp.

PLATTE, z. nw.. m.. Ziekelijke mensch.

— - Slimme, gemeend of lachend. Ge zijt een platte.

PLATTE BOONENTIJD. z. nw., m.. = Tijd van klein gewin. D.

PLATTEKAAS (klemt, op kaas), z. nw., m,. — Versche kaas. C. T. R. K. caseus coucretus.

PLATTEKONNE (klemt, op kon), z. nw., vr.. = Dunne ronde snede van zekere vruchten. Men kan rapen, wortels, radijzen, ramenassen, peren en appels in plattekonnen snijden.

PLATTEN, werkw., overg.. — (Potbakk.) Met de voeten plattrappen , trappen. De eerde platten.

PLATWEVER, z. nw., m . = Wever die plat weeft.

PLATZAK, z. uw,, m.. —Slimmerik. C.

PLAVEI, z. nw., m. (niet vr.) = Vloertegel. C. R. Er is blauwe en roode plavei.

Bij V. : vloer-, straatsteen.

Spr. : Plaveien of plavuizen schuren, zeer rood worden van schaamte of verlegenheid.

— = (Boer) Maat veur de dikte der verkens. Ons verken is negen plaveien dik.

PLAVEIBANK. z. nw.. vr.. = (Steenbakk.) Werktafel waar de plaveien op gemaakt en gesneden worden.

PLAVEIDEEL (zachte e), z. nw., m.. = (Steenbakk). Houten plank waar de plavei op te drogen staat.

PLAVEIMAKER. z. nw., m.. = (Steenb.) Werkman die de aarde den vorm geeft van eene plavei.

PLAVEIPLAKKER , z. nw., m.. PLAVEI SLAAG, z. nw., vr.. = (Steenbakk.) Houten tuig dienende om de plaveien plat te slaan.

Ook het slag.

PLAVEISNIJ(DE)R . z. nw., m.. = (Steenbakk.) Werkman die de plaveien rechtsnijdt.

PLAVUI , z. nw., m.. = Plavei.

PLAVUIS, z. nw., m. (niet vr.). — Z. Plavei.

PLAVUIZEN, werkw., overg.. = Plaveien , met plaveien bevloeren. Wij gaan ons keuken plavuizen.

PLEDDEREN. werkw., overg.. — Pletteren, verpletteren. Zijn arm is onder de wielen gepledderd.

PLEEN (zware en scherpe e), bijv. nw. en bijw.. — Effen, plat, gelijk. S. K. Die muur is goed bezet, ze is pleen.

PLEIN, bijv. nw. en bijw.. — Z. Pleen. K. pleyn, planus.

PLEINEN . werkw., overg . — (Mets.) Een muur pleinen, effenmaken , gladstrijken met het truweel.

Ook pletten.

PLEINTRUWEEL. z. nw., o.. = (Metser) Poliertruweel , klein truweel voor fijn werk.

PLEIT . z. nw., vr.. — Z. Wdb..

— = Groote platte klak of hoed. C. Wat veur een pleit hebde nu op uwen kop ?

— = Groote platte non. C.

— (Schipp.) Plat binnenschip ; de kop en het gat zijn op dezelfde hoogte als het midden. Deze schepen zijn bijzonder geschikt om onder de bruggen te varen. C. K. navis larga etplana.

PLEK, z. nw., vr.. = Plaats, ruimte. Z. Wdb..

— In (de) plek van, in stee van , in plaats van.

Gewest, bij V..

— = (Steenbakk.) Droogplaats, effen plein waar de _steen te drogen gelegd wordt.

Ook plets en pletsmg.

Sluiten