Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

POTJESSPIN, z. uw., vr.. = Spin die in eenen hoek een potje maakt waar heur net aan vast is en van waar zij beuren vijand bespiedt Als de potjesspin in heur hol zit, is er regen te verwachten.

POTKAART, z. nw., vr.. = Stok van twintig kaarten waarvan de laagste de tien is.

PODLOOlD)PENNE, z. nw., vr.. = Potlood. D.

POTS. z. nw., vr.. = Kleine klak of muts zonder klep. C. S. De gendarmen droegen vroeger een poeleken, nu een pots.

Zuidnea. bij V..

POTSCHARDER. POTSCHREPER, z. nw., m.. = Potschraper. C.

Spr. : De potscharders of potschrepers gaan naar den hemel niet, de lepels.

POTSCHEEL (zachte e), z. nw., vr.. = Deksel van eenen pot. O.

POTSCHREPER. z. nw., m.. — Z. Potscharder.

POTSCHROBBER , z. nw., m.. — Z. Potbessem.

POTSTUK, z. nw., o. = Vijf-frankstuk. C. S. De boeren ontvangen geren potstukken bij een betaling.

POTTEKARÉE (zachte e), z. nw., m . = Pottengoed, aardewerk. Veur den feestdag kuischen wij heel onzen pottekarée.

Bij D. pottekarie en potekkarij.

POTTEN, werkw. onov. (hebben). = Geld uit gierigheid verbergen.

— Kaartspel. C. Men speelt met eene paskaart Onverschillig het getal spelers. Men blikt, om te weten wie de kaart geeft. Al de spelers zetten elk eenen cent of eenen marmel in den pot; die de kaart geeft, moeter nog eenen bijzetten.

De kaarten worden doorschoten en elk krijgt 3 kaarten. Daarna blikt men troef.

Ziet de eerste dat hij slag kan halen , dan zegt hij : Ik speel voor de helft van den pot Is er iemand die schikt alle drij de slagen te helen , dan zegt hij : Ik speel voor gansch den pot. Wie geenen slag meent te halen, past en speelt niet meê. Die de kaart gegeven heeft, mag den troef rooven met de zeven. Nu spelen al de potters tegen elkander Haalt de eerste. die voor den halven pot speelt, slag op , zoo heeft hij de helft van den inzet; haalt hij geenen slag of is hij bosman, zoo moet hij zooveel centen bijzetten als de helft bedraagt van den pot.

Indien de tweede, die voor gansch den pot speelt, al de slagen ophaalt, dan wint hij al de ingezette centen ; komt hij eenen slag te kort, zoo moet hij zooveel centen bijzetten als er in stonden.

Zoo gaat men altijd voort.

Die de kaart geeft, moet altijd eenen cent inzetten . en zoo is de pot nooit uit.

POTTENBOENDER, z. nw., m.. — Z. Potbessem.

Gewest, bij V..

POTTE NBRE IER, POTTE NDRILDER,

POTTE(N|MAKER, z. nw., in.. — Werkman die de gescheurde aarden potten met krammekens naait.

POTTER, z. nw., m.. = Spaarzame ; geldzuchtige , vrek Z. Wdb..

Spr. : Zoo gierig als een potter.

POTTREKKER, z. nw., m.. — (Smid) Stalen lat waarvan het eene uiteinde haakswijze gemaakt is. Hij dient om het boordeken van den hals der stoven open te trekken.

POTUIL, z. nw., m.. -- Onbeleefd en stuursch mensch ; dommerik. D. S.

POTZWART. bijv. nw.. = Zwart als een pot , zeer zwart.

POVER, bijv. nw., en bijw.. — Poover, armoedig. C. Hij waspoverkens gekleed.

POVER, z. nw., m.. — Z. Pietepover. C. D. S.

Poovertje , Zuidned. bij V.

Des povers liedje wordt alzoo vertaald : Sieritsier , sieritsier

In mijn kwartier Is 't beter als hier ,

Daar stoken ze ander vier,

Klippelen lijk mijn beenen En rijshout lijk mijn teenen.

Spr. : Van ongenucht zingen lijk 't poverken op den sneeuw.

POVERTIET , z. nw., m.. — Z. Pietepover.

PRAAL, z. nw., m. (niet vr.j. — Z. Wdb. C. D.

PRAAT. z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Praatjes vullen geen gaatjes of vullen den buik niet, klappen alleen dient tot niets. Praat tegen den vaak. zotteklap.

V. geeft : praatjes voor den vaak.

PRADDE, z nw., vr.. = Buit, prooi. Hij meende een goede pradde vinken te vangen, maar 't was mis.

— = Som gelds. Die vent zit met de pradde , d. i., is rijk.

PRAMEN , werkw. onov. (hebben). ---(Timmerm.) Prangen, drukken. Een deur praamt, als zij moeilijk opengaat.

Spr. : Zijn schoenen pramen hem, zijn handelstaat slecht.

PRANG, z. nw., vr.. — Z. Gaaiprang. S.

— In de prang zitten . in een benarden toestand zijn. Iemand in de prang zetten, in een lastigen toestand brengen.

— Schimpnaam , die bijhoudend is, die moeilijk het gevraagde geeft.

Sluiten