Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PRANGDIEF , z. nw., m.. — Verheler van gestolen goederen. C. S. T. R. K. receptor furum.

Spr. : Waren er geen prangditven , er waren geen hangdieven, waren er geene helers . er waren geene stelers.

PR ANGELEER (zware e) z. nw., m.. = Die afprangelt, die veel moeite doet om iets te bekomen.

PRANGELEN. PRENGELEN, werkw., overg.. = Lastigvallen , half dwingen om iets te krijgen. S. T. Die dronkaard prangelt gedurig zijn oude moeder om geld te krijgen.

PRANGEN, werkw., onoverg. (hebben). =fSchipp.) Laveeren , gangen halen. Het schip moet pran¬

gen bij ongunstigen wind.

PRASELEN. werkw., onov. (hebben). — Z. Fraselen.

PRATEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Gep. woord. : praten en razen, veel praten.

PRATS CH), bijv. nw. en bijw.. = Fier, hooveerdig, prat. Jan is een pratsche kerel.

PRAZELEN, werkw., onov. (hebben). —Z. Frazeleii. C. S. K. prasen — mitrmillare. Onze meerlaan begint te prazelen.

Bij V. : (Zuidn.) brommen , mompelen.

PREDIKANT, z. nw., m.. — Gewijde redenaar, Die pred.kant heeft een schoone stem.

PREE (zachte e), z. nw., m. en vr... = Werkloon. C. D. S. R. 's Zaterdags krijgen ons knechten hunne pree.

— — Drinkgeld. R. Alle jongens krijgen's Zondags wat pree.

— = Betaaldag. Dezen avond is 't pree.

PREEDAG, z. nw.. m.. =• Dag waarop het loon of het drinkgeld gegeven wordt. C. S.

PREEKELIJK, bijv. nw.. = Kunnende gepredikt worden. In die kerk is 't niet preekelijk.

PREEKEN. werkw., onov.. — Z. Wdb..

— = Ronken, van de meikevers gezeid. C.

Een boom preekt, als hij , door den velder van zijne bijzonderste wortels ontdaan, niet ten gronde valt, maar half in de hoogte blijft hangen.

PREEKHEER, z. nw., m.. = Pater van 't orde der Dominikanen. C.

~ Boterham waarvan een snede van zuivere tarwe — en eene andere van roggebrood is. C. S.

Bij R. preekant.

PREEKSTOEL , z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Van den preekstoel vallen of rollen, de roe-

. pen in de kerk krijgen, vooraleer te trouwen.

PREFECT, z. nw., m., PREFECTE , vr.. = Overste van eene congregatie voor jongelingen of jonge dochters. C.

PREKEL, z. nw., m.. Prikkelstok K.stimulus. De jongens stooten hunnen ijsstoel met prekels voort.

— Z. Kegel, 2°.

Spr.: Als er prekels hangen aan' t huis, dan is de winter niet pluis.

— = Snottebel aan den neus.

PREKELEN, werkw., onov. (hebben). =. Door prikkels zich op den ijsstoel voortstooten. K. stimulare, pungere.

PREMENTELIJK , bijw.. — Z. Parmentelijh.

PREMISSIE , z. nw., vr.. = Permissie, verlof.

PRENGELEN. werkw., overg.. — Z. Prangtlen C. S.

PRENT, z. nw , o. (niet vr.). — Z. Wdb..

PREUF, z. nw., vr.. = Proef, bewijs. V. C. Hebde preuven van 't gene ge daar zegt ?

PRENGEL , z. nw., zonder bepaling.. = Slagen , rammeling. S Iemand prengel geven.

PRENGELEN. werkw., overg.. = Slaan, aframmelen. D.

PREUSCH .' bijv. nw. en bijw.. = Fier. hooveerdig. preutsch. D. O. Ik en houde van dat meisken niet, zij is al te preusch in heur doening.

PREUT , z. nw., vr . — Z. Iirosseltreit.

— — Vrouwelijk schaamdeel.

Bij R.prut.

Bij C. S. T. en R. : achterste, aars.

PREUTELAS. z. nw., vr.. = Vrouw of dochter die gedurig knort en klaagt.

PREUTELAS PRETTTF.T.irnTTK v

PREUTELEER (zware e), m.. — Z. Brosseltreit.

PREUTELPEER zware e), z. nw., vr.. = Kaakslag.

PREUTELPOT. z. nw., m.. = Preutelaar. S.

PREUTEN , werkw., onov. (hebben). = Preutelen, kneuten , klagen zonder gegronde reden. Als ge zoo blijft preuten, zal u niemand geren zien.

PREUTER. z. nw., m.. = Die preut, die klaagt.

PREUTKOUS, z. nw., vr.. = Vrouw of meisje die preutelt, gedurig klaagt.

PREUVELING, z. nw., vr.. = Poeiering, pak slagen. D. S. Iemand een preuveling geven.

PREZABELEN, werkw., onov. (hebben). = Redeneeren , redekavelen. Wij hebben meer als een uur over die zaak geprezabeld.

PREZENDOEK (klemt, op zen), z. nw., m.. — Z. Naadprezenning.

PREZENNAGEL. z. nw., m.. — Kleine nagel met platten kop. C. Men nagelt eenen almanak op de deur met prezennagels.

Sluiten