Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PREZENT, bijv. nw.. -- Bij zijne zinnen, nuchter. C. R. Al was hij goed prezent, toch zocht hij ruzie te maken.

Bij V. : helder (van geest).

PREZIJ, z. nw., vr.. — Z. Prijzij. D.

PRIEK , z. nw., m.. = (Visch) Lamprei.

Ook prik, gelijk bij V..

PRIEM , z. nw., m.. = Breinaald. V. C.

Spr. : Zoo scherp als een priem.

— Z Priemstijl.

— Priemeken. o.. vezelken, pijlken. C. D. S. T. Hij had geen priemeken vieesch aan zijn lijf als hij stierf.

PRIEMSTIJL. z. nw., m.. = (Timmerm.) Puntstijl, middenbalk eener spitse verbinding. C. D.

PRIETPRAAT , z. nw., m.. = Leugens, flauwe praat. C. D. S. 't Is al prietpraat dat ge vertelt.

Bij R. pritpraat.

PRIETPRATEN, alleenlijk in onb. wijze gebezigd. = Onnoozelen praat verkoopen , leugens vertellen. Die zeevereer kan uren en uren staan prietpraten.

PRIJ , z. nw., vr.. — Verachtende naam voor vrouwen, en soms voor mannen. S. T. R. Wel jongen ! gij zijt een prij '

PRIJIG , bij. nw.. = Boos ; gierig.

PRIJKEL, z. nw., o.. = Gevaar. C. D. Hij was in 't prijkel van zijn leven te verliezen.

— Daar is geen prijkel af of veur , zegt men schertsende voor : ge moet niet vreezen dat zoo iets gebeuren zal.

PRIJKELETJS. bijv. nw.. = Gevaarlijk. C. D. R. Op hooge boomen kruipen is prijkeleus.

PRIJS. z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Weten aan wat prijs, iets bekoopen, er aan

toedragen, zich beklagen ; — hij is uitgegaan al is 't dat ik het hem verboden had , maar hij zal weten aan wat prijs. Daar zijn de prijzen nog van te geven , de uitslag er van is onzeker.

PRIJSBEEST, z. nw., vr.. = Een slachtdier, als een kalf, een os. een zwijn dat om zijne vetheid den prijs behaald heeft of weerd is te behalen. D. S.

Spr. : Gekroond gelijk een prijsbeest, b. v., van eenen loteling die rozen op den hoed draagt.

PRIJSBOLLING. z. nW, vr.. = Prijskamp met de bol.

PRIJSDEELING. z. nw., vr.. = Prijsuitdeeling. V.

PRIJSELIJK, bijw.. = Goedkoop. Ik heb die stoelen nogal prijselijk gekocht.

PRIJSMEESTER, z. nw., m.. = Schatter. De prijsmeester is gekomen om heel den alam op te nemen.

— Ik ben gelijk mijn prijsmeester, zegt gij tegen eenen persoon die u uwe fouten in uwe tegenwoordigheid verwijt. Gij zijt veel te lui. — Dan ben ik maar gelijk mijn prijsmeester.

PRIJSSCHIETING, z. nw., vr.. Prijskamp met den handboog of het geweer. C. R.

PRIJSVEREN. werkw., onoverg. (hebben) sch.. = (Schipp.) Met booten wedijveren om rapst te varen en zoo eene onderscheiding te bekomen. In den Zomer gebeurt het meermalen dat de jachten prijsveren.

PRIJSVERING (zware e) z. nw., vr.. -■= (Schipp ) Het om prijs varen, 't Is morgen prijsvering met jachten.

PRIJZEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Als ge u zeiven prijst , zult ge niet ongeprezen slapen gaan. Die een waar prijst die hij niet kan koopen. wordt behoord om ze te stelen. Dien van veurin prijst, achter uwen rug met den vinger wijst.

— = Schatten, den prijs vaststellen van. K. pcecunia testimare. Hoeveel zoudt gij die koe prijzen ?

PRIJZIJ, z. nw., vr.. = Daad van prijzen , schatten. Na de prijzij zullen wij weten hoeveel^ fortuin er is.

Bij D. prezij en prizij.

— --= Somme dat iets geschat is. Hoe hoog is de

prijzij van dat huis ?

— = (Boer) Som die de nieuwe pachter aan den vorigen betalen moet voor den mest die in het land is, en voor de vrucht die er op staat. als hij het overneemt.

PRIK. z. nw., m.. — Z. Wdb..

— Iemand op 'nen prik kennen, zeer goed, heel en gansch.

PRIMIER, bijv., nw.. = Best, voordeeligst. De roode wisch is primier van alles.

PRINS. z. nw., m.. — Z. Wdb..

Verg. : gelijk een prins, zeer goed ; — een leven gelijk een prins, ergens gelijk een prins onthaald worden.

PRINS , z. nw., m.. — De prins met de paal. de of het principaalste , de of het bijzonderste. Gij moet er noodzakelijk bij zijn , want gij zijt de prins met de paal.

PRINSESSEN, z. nw.. vr., meerv.. Prinsesboon, suikerboon. C. S.

PRINSKENSDAG. z. nw., m.. == Verjaardag van den koning. C. S. Op Prinskensdag is het geen school veur de kinderen.

PRITS. z. nw., m.. = Pruts , in de spreuk van het tritsspel : achter 'nen trits komt een priis.

PROBATIE . z. nw., vr.. — Op probatie, op proef, a l'essai. C. Ik heb dat machien nog niet gekocht, ik heb het maar op probatie.

Sluiten