Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PRONT, bijv. nw. en bijw.. = Lief, bevallig. C. D. S.

Bij D. ook promp en prompt.

Spr. : Van boven pront, van onder stront, op kaal aards.

— — Fier, trotsch. S. Die vader is pront op zijn kinderen.

PRONTHEID . z. nw., vr.. = Bevalligheid.

Spr. : Hoe gaat het met uw gezondheid en uw welgemaakte prontheid ? vraag van sommigen voor : hoe gaat het ?

PROOSDIJ, z. nw., vr.. = Gebied van cenen proost.

— = Woning van eenen proost.

PROOST , z. nw., m.. = Geestelijke die een eigen gebied heeft, maar noch mag doopen, noch begraven , noch trouwen.

Ook prost.

PROP, z. nw., m..= Grove brok hout voortkomende van 't onderste der uitgedolven struiken en gevelde boomen.

PROP ANKER, z. nw., o.. — Z. Katanker

PROPERETEIT, z. nw., vr.. Properheid, zindelijkheid, proprete.

PROPOST. z. nw., o.. = Propoost, voornemen. D. Ik heb dat propost gemaakt en ik zal 't houden.

PROPPENDE, PROPPENS, bijw.. — In de uitdrukking proppende of proppens vol, zeer vol. De zaal was proppende vol volk.

PROPVIJT . z. nw., vr.. - (Ziekte) Fijt waarbij uit den vinger eene soort prop komt.

PROSDIJ . z. nw., vr.. — Z. Proosdij. K. prostdije, prce/ectura.

PROSPECTUS, z. nw., m. (niet o.). — Z. Wdb. C.

PROSSEN, werkw., overg. en onov. hebben). Snijden , kerven. C. S. Peerden prossen. Sommige doktoors prossen geren.

— onov. (hebben) — Slecht, ruw, wreed behandelen. V. C. S. Aan een streng garen prossen. Met 'nen

hond prossen.

PROSSER, z. nw., m.. = Die mishandelt. S.

Alzoo uw peerd slaan ! ge zijt een prosser. — Die handel drijft in oude en versleten peerden.

S.

Meer peerdenprosser.

PROST. z. nw., m.. — Z. Proost.

PROT. z. nw., m.. = Wind, veest. C. S. Xen prot laten.

PROTEKOL, z. nw., m.. = Dik kind. Het is een protekol van een kind.

PROTTEN. werkw., onov. (hebben), = Winden loozen, veesten. C. S.

Zuidned. bij V..

PROZA. z. nw., vr. (niet o.). — Z. Wdb..

PRUIM. z. nw., vr . — Z. Wdb..

Spr. : Dat is geen pruim toebak weerd , niets.

— Pruimen in den pot. Kinderspel. Een jongen staat met zijn wezen tegen den muur. Als hij denkt dat de gezellen zich weggestoken hebben, roept hij : Is 't gedaan ? Als de anderen dan antwoorden : Ja ! dan keer^ hij zich om en hij zingt: Pruimen in de pot ! pot ! pot !

ledereen komt afgeloopen naar 't kot en de laatste moet verdragen. Men vraagt hem : Wat hebt gij liever regen of vlooikens ?— Antwoordt hij regen, dan spuwen ze hem in't aangezicht — een soort van stofspuwsel. Kiest hij vlooikens, dan

geven ze hem fijne neepkens in de armen. Hij op zijn beurt is nu de roeper van « pruimen in den pot».

PRUIMELEER (zware «), z. nw., m.. = Pruime

laar, pruimeboom. S. K. pruimeler, prunus.

PRUIMEN . werkw., onov. (hebben). — Op iets pruimen , veel moeite , veel inspanning moeten gebruiken aan een werk.

PRUIMENTIJD. z. nw., m.. = Tijd dat de pruimen rijp zijn.

— In den pruimentijd , nooit. C.

PRUIMERIJ , z. nw., vr.. = Al de pruimen samen , al wat pruim heet. Ik en ken de pruimerij niet heel en gansch : wij hebben veel soorten.

PRUIMS(CH), bijv. nw. en bijw.. = Ontevreden. Hij zag er maar pruimsch uit, dezen morgen.

Gewest, bij V..

PRUIS(CHiEN. werkw., onov. (hebben en zijn). ~ Met geweld uitspringen , van een vocht gezeid. D. Het water pruischte uit zijnen schoen. Het bloed pruischt uit de wonde.

Bij V. : bruisen.

PRUISEN, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. ; Werken veur den keuning van Pruisen, voor niets.

PRUISENSCH. bijv. nw.. — Pruisisch, Prussien. D.

— Het is Pruisensch, het gaat er pruisisch. men kijft. D. S.

PRULLEN, werkw., onov. (hebben). = Talmen, nusselen. Wat staat gij daar te prullen ? weet ge niet dat er weinig tijd is ?

— Z. Fritselen. C.

PRUTS, z. nw., m. (niet vr.). = Ding zonder weerde , bucht. V. C. D. S. Ligt daar nog papier ? — Ja, 't is al pruts.

— meest in 't meerv. gebez. prutsen. = Vodde. D.

Sluiten