Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RAAD, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Raad na daad komt te laat. AUemans raad is allemans zot. Het weer is om raad, zegt men , als het onzeker is.

RAAF, z. nw., vr.. —Z. Wdb...

— = (Vogel) Zwarte kraai, Corvus corone en frugilegus, corneille ttoire.

— Spotnaam op iemand die geerne onrijp fruit eet.

RAAFACHTIG, bijv., nw.. = Hebzuchtig , grijpachtig. Ge zijt te raafachtig, ge zoudt het al voor u willen hebben.

RAAI, z. nw., vr.. = (Schipp.) Ra , vergue.

RAAK, bijv. nw. en bijw.. = Ruw , grof ; erg, wreed. Het is raak met u. Dat is raak. Hel zal er raak gaan.

RAAL,bijv. nw., en bijw.. = Raar, wonder. S. Dat is raai dat de Zomer zoo koud is dit jaar. Die hansworst is raai gekleed.

— = Kluchtig , koddig. C. Gij zijt een rale vent. Dat is nu toch een rale burger !

RAAM, z. nw., vr. (niet o.). — Z. Wdb. C.

— = Werktuig waar men het goed op juiste maat mede spant, ramt. K. extentorium.

— = (Bieman) Vierkant of rechthoekig lattenwerk waar de wastafels in geplaatst worden.

— = (Steenbakk.) Stapel geschrankte steenen die nog niet gebakken zijn. De raam is omtrent een halven meter hoog.

— = (Tabakfabr.) Opgespannen doek waar men den tabak op droogt.

— = (Boer) Rij gestuikte schoven

RAAMGAT, z. nw., o.. = (Timmerm.) Venstergat, vensteropening.

RAAMPLAATS. z. nw., vr.. (Fabr.) Plaats waar men de stoffen raamt.

RAAP, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. ; In iemands rapen zitten, iemand onderkruipen , zich het voordeel van een ander verschaffen. Zoo voos als een raap. Als 't Kind is geboren (Kerstda"'), hebben de rapen hunnen smaak verloren. Ieder beet is een scheet zoolang als ik rapen eet. Blozen gelijk bloed van rapen.

— = Zeer dik en groot uurwerk. C. S.

Rapsn stelen. Kinderpel. Eenige kinders zitten in

eenen hoek, al zingende : Rapen stelen, de boer die komt ! Twee andere komeh af met eene lange koorde en loopen achter de dieven , om ze met de koorde te vangen.

Of wel: Een der jongens is de boer, hij doet of hij op eenen akker werkte. De andere jongens komen bij hem geloopen en roepen, terwijl ze rond den boer loopen : Rapen stelen ! de boer die komt. De boer loopt er achter en geeft hun wat hand- of voetgeld.

RAAP, z. nw., m.. = Afgevallen fruit. Bij 't verkoopen van fruit, is de raap veur den verkooper totdat het fruit geplukt wordt.

RAAPMEULEN. z. nw., m.. = (Boer) Werktuig dienende om rapen, wortels of beet in stukken te malen.

RAAPSELDER, z. nw., in.. = Raapselderij, knolselderij. S.

RAAPVOGEL, z. nw., m.. — Z. Moe/.

RAAPWISCH . z. nw., vr.. = Kleine afval bij het kappen der wisschen. De raapwisschen worden door de hoveniers gebezigd om de boomen aan te binden.

Sluiten