Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kaarten worden ondertrokken en afgelangd. De 2 eerste kaallen legt men in 't midden der tafel. Dit is de ram. Elke speler krijgt eerst twee kaarten, daarna weder 3 kaarten voor den ram en ook voor eiken speler , waarna men troef blikt, die door den deeler mag geroofd worden.

Die op de voorhand zit, spreekt eerst. Denkt hij, slag te kunnen halen , dan zegt hij : Ik speel. Vreest hij geenen slag te bekomen , dan zegt hij : Ik pas ! en speelt niet meê ; of wel, hij mag zijne kaarten wegleggen en den ram nemen , maar dan moet hij spelen.

Zoo doen al de anderen ; maar eens dat de ram weg is, mogen zij dien niet meer nemen. Is er maar éen speler , dan moet de deeler spelen.

Men moet in het spelen altijd volgen, tenware men in de onmogelijkheid ware , en dan mag men stekken.

Wie geenen slag ophaalt van de spelers is ram en moet een kruis bijzetten. 7.ij die slag hebben, mogen zooveel meten uitvegen als zij slagen hebben. Wie eerst zijne kruisen kwijt is , ontvangt van al de anderen eenen marmel of knop.

RAMMIG. bijv. nw.. = Tochtig, driftig, van schapen gezeid. De schapen worden maar allejaren eens rammig.

RAMOELTE, z. nw., vr.. — Rumoer. De dronkaards twisten en daar kwam een heele ramoelte op de straat.

Ook ramoer.

Bij C. ramult, o ; bij D. ramnlte, remnlte en tremulte.

RAMOER, z. nw., o.. — Z. Ramoelte. C. D. S. K. rammoer, romoer = rutnor. Daar was dezen nacht veel ramoer op de straat.

RAMOEREN, werkw., onov. [hebben). Rumoeren , gerucht maken. C. K. tumultuari.

RAMP. z. nw., vr.. = (Dijkw.) Opklim, oprij. De ramp is een tamelijk breede weg , langs waar men uit de diepte van een werk grond naar boven vervoert. De ramp staat in verbinding, van onder met de uitloopers, en van boven met het straal.

RAMPZALIG, bijv. nw. en bijw.. Geweldig, woest. Ge zijt te rampzalig in uwen handel om glazen te dragen.

RAND , z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Een zaak die ge niet sparen moet, is ie rand van uwen hoed.

— = (Schoenm.) Brandzool, smal leder dat onder de zool ligt. V. C. D.

Strooien ring waar de duiven hun nest in maken.

— Rand van het spinnewiel, band dien de spinner of spoelenmaker ronddraait en waar het zelfeinde op loopt.

RAND. z. nw., m.. = Rande, leg. De vogels leggen heel hunnen rand uit.

RANDSTEKER. z. nw., m.. (Schoenmak.) Cirkelvormig mes met scherpen platten voorkant, op gansch zijne lengte van een omgekrolden rug voorzien die puntig vooruitsteekt. Hij wordt gebruikt om de uitstekende bies weg te nemen.

RANDTEEL (scherpe e.. z. nw., vr . (Potbakk.) Teil waar een rand aan is. De patatteel is een randteel.

RANK, z. nw , m., meest vr.. — Z. Wdb. C.

RANK, z. nw., m. — Bruine of zwarte streep in de aardappels.

Bij C. rang.

RANK , bijv. nw.. — Licht van lijf en leden , van dieren gezeid. Een looppeerd is gewoonlijk rank. Een boerenpeerd dat veel eten krijgt, kan niet rank zijn.

RANKETTEN. werkw., oyerg. —Z Rinketten.

RANKKLEMENTIEN . z. nw.. vr. = (Kruidk. Rankende soorten van Clematis, clématite. fam. Ranunc..

RAP. z nw., vr. (niet o.). — Puist, vooral in het aangezicht en op het hoofd. C. S. Hij heeft een leelijke rap op zijn kin staan.

— Rappen, meerv., schurft op het hoofd. K. scabies incrustata. Die vent is kaal, hij heeft in zijn jongte rappen gehad.

RAP. bijv. nw., en bijw.. = Snel. Z. Wdb..

Spr. : Rap ter of in de hand is rap ter of in den tand. Zoo rap als tellen, als een haas, als de weerlicht als de blaren verwaaien, als de wind.

— (Mets.) Rappe cement, cement die zeer. snel verhardt.

— -.= Slim, schrander. D. Past op dat hij u niet bedriegt , want 't is een rappe kerel. Ge zijt den duvel te rap.

Zuidned. bij V..

— Rap ! tusschenw., om haast te bevelen. D. Rap ! Kom hier bij mij.

RAPELING. z. nw., m.. Afgevallen, opgeraapte vrucht, appel, peer enz. S.

— Als verzamelw., vr. C. D. S. T. R. K. collecta. Ge meugt de rapeling aan de kinderen geven.

Bij T en R. o..

RAPEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Ik kan er 't mijne niet uit rapen of maken , ik versta dat niet.

RAPIER (klemt, op pier), z. nw., m..=(Boer) Land met rapen te bezaaien of bezaaid. D. K.

rapina.

RAPPENKOP, z. nw., m.. = Schurftig hoofd Die jongen mocht met zijnen rappenkop in d< school niet blijven.

— Schimpnaam , schurftige, vuile. S. o ! Gij leelijkf rappenkop , blijf van mij 1

Sluiten