Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Alle redens plaats geven, redelijk zijn. C. Om goede meester te zijn, moet ge alle redens plaats geven.

— Iets zeggen veur zijn reien , iets zeggen om zijne meening te kennen te geven bij iemand die min of meer anders denkt. C. D. Ik zeg veur mijn reden dat ge best thuis zoudt blijven.

— meest in 't meerv.. = Gesprek, praat. C. Slechte redens vertellen. Ge wilt niet meer werken, zegde, zijn dat nu redens ? Iemand in de rede spreken.

REDENEEREN. werkw., onov. [hebben). — Z. Wdb..

Spr. : Redeneeren gelijk een dorschvloer, gelijk een rieksteel, gelijk een blok die Latijn spreekt, slecht, verkeerd, dwaas redeneeren.

REDEWIL. — In de voegw. uitdrukk. om redewil dat, omdat.

REE z. nw., vr.. = (Oliemeulen) Ieder der liggende balken die aan elke bank de stampers in voege houden.

REE (zachte e), z. nw., vr.. = Reis met een voertuig. D. Veur éen ree met een kar betaalt ge 'nen frank.

— = Lading bij ieder reis met het voertuig. D. Drij reeën kolen.

— == Weg van den wroetenden mol op het land. D.

Ook molleree.

Spr. : Van de ree zijn , zijn verstand niet ten volle hebben.

REE (zuivere e), tusschenw.. — Z. Rij.

REE(D)EN. werkw., overg.. — Z. Wdb.. Een schip reeden.

— Z. Platreeden.

— (Hovenier) De vente reeden, de groensels gereed maken om ze naar de markt te dragen. D. S.

— Kleeden en reeden. Z. Kleeden.

REEFLIJN (zachte e) z. nw., vr.. = (Schipp.) Touw die gebruikt wordt om het zeil in te korten. V. Zij is vooral bij de jachten die lichte zeilen hebben, in gebruik. Wanneer deze reven, bindt men het onderdeel van het zeil op de gei vast bij middel der reeflijn, die door de reefgaten gesteken wordt.

REEFTOUWKEN, z. nw., o.. = (Schipp.) Korte touw om het zeil te reven. Zij wordt, evenals de zwichtelingen, gebruikt om de zware zeilen van onder op te binden. Het eenige verschil dat tusschen beide bestaat, is dat de reeftouwkens na het reven van het zeil afgenomen worden, terwijl de zwichtelingen aan het zeil vastgenaaid zijn.

REEHAAK (scherpe e) z. nw., m.. = (Timm.) Winkelhaak, die dient om te zien of een stuk hout goed in den haak is.

REEKEN. werkw., wederk. en onov.(hebben) — D. S.

Spr. ; Zoo onmeugelijk als met uw handen aan de lucht te reeken.

REEL (zware e), bijw. nw. en bijw.. = Slank, rank , vlug en zwierig. C. D. S. K. reel, raai — tennis, gracilis, O. Die jongen is lang en reel.

Bij C. ook raai en reil; bij D. ook raai: bij S. ook rel, ril en rilde.

— = Gaaf, zacht, lief. Dat kind heeft een reel wezeken.

REEN (scherpe ü), bijw.. — Z. Gering. K. reynrot prorsus vacuus, omnino exhaustus. O. geeft alreene (geheel en al) en rene, beide uit Maerlant.

Wordt meest gebruikt voor af. op, uit, weg. De noten zijn reen af De patatten zijn reen op. De telloor is reen uitgeëten. De sneeuw is reen weg.

Spr. : Branden verhuist reen.

REENEN, werkw., overg.. — Noten reenen, de laatste noten van de boomen halen die de pluk" kers er lieten op staan.

REEP (scherpe e), z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Aan den reep gaan staan, op jonge dochters die naar de jaarmarkt gaan , dikwijls om er kennis met jongelingen te krijgen.

REEP (zachte en scherpe e), z. nw., vr.. — V. C. D.

Spr. : Iemand deur de reep trekken, duchtig de waarheid zeggen.

Bij V. en C. zachte e ; bij D. met zachte en scherpe e.

REEPBANK (zachte en scherpe e), z. nw., vr.. = (Boer) Bank waar men op zit als men repelt.

REEPEN, werkw., overg.. = Repelen. D. S. Het vlas reepen.

REEPEN, werkw , onov. (hebben). = Met den band of den reep spelen. S. K. ludere circulo ligneo.

Zuidned bij V..

— overg. = Met eenen reep , met eene koorde vast maken. De boer reept zijn kar als hij zijnen oogst binnenhaalt. De velder reept den boom, opdat hij niet te vroeg valle.

REEPT AND, z. nw., m..= Tand van den repel.

Bij D. repetand.

REESCHAAF, z. nw., vr.. = (Schrijnwerker Reischaaf. V.

REESEM, REESOM, REEZEM , z. nw., m.. — Rist. D. S. K. racemus, uva. O. Nen reesem ajuin. De boonen hangen met heele reesems aan den struik.

Gewest bij V..

Bij S. ook reesel ; bij C. re es el.

REESEMEN . werkw., overg.. = Risten , in eene rij aaneenrijgen of snoeren. D. S. K. covglobare, colligare, O. Erwten aan 'nen draad reesemen. De appels hangen gereesemd aan de takken.

Bij C. reeselen.

Sluiten