Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RHUMATIES (ie kort), z. nw.,o., = Rheumatiek, rhumatisme.

Bij C. rumatis en rummetis ; >ij D. rematijs en romatijs.

Ook romaties.

RHUMATISBLOM. RHUMATISPLANT. z. nw., vr.. = (Kruidk.) Pltctranthus fruticosus, fam. Lab..

Ook sciaticaplant.

RIBBE. z. nw., vr.. — Z. Rtbbe.

RIBOS (klemt, op o), z. nw., m.. — Rakker. Een ribos van 'nen jongen.

RIBSTOK, z. nw., m.. — Z. Rebstok.

RICUS. z. nw., m.. — Henricus verkort.

RIDDER, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Ridder 0/ meersman. Z. Mtersman.

RIDDEREN, werkw., overg.. = Redderen, schikken. D. S. Gij moet u niets aantrekken, ik zelf zal heel de feest ridderen.

RIDDEREN, werkw., onov. {zijn). — Glijden, rijden. D. S. De jongen liet hem van de karre ridderen , maar brak zijn been. Er is een pan los , straks gaat ze van het dak ridderen.

RIDICULEKENS. z. nw., o., meerv.. — Z. Borzekens.

RIEK , z. nw., m.. Bij C. Rik.

Hendrik, Frederik, verkort.

RIEKAARD, z. nw., m.. = (Kruidk.) Mentha velutma, menthe des jardins , baume sauvage, fam. Lab . D. geeft, onder andere, hertekruid.

Ook wilde munt.

— = Stinkende buikwind.

RIEKEMAN , z. nw., m.. = Frederik, Hendrik.

RIEKEN. werkw., onov. {hebben). = Reuken , reuk afgeven.

— overg., met den reuk waarnemen, wordt altijd door gerieken uitgedrukt, en ruiken wordt hier nooit gebruikt.

Spr. : Wat is dat ? — Riekt er naar, dat gaat u niet aan Ge zult er mengen naar rieken , dat zult ge niet krijgen. Aan iemand of iets niet meugen rieken, er de vergelijking niet kunnen mee doorstaan.

RIEKENDE ER(W)TEN, z. nw , vr., meerv.. — Z. Reukerwten.

RIEM, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : 't Is gemakkelijk riemen snijden uit andermans leder, van een anders goed te leven.

— Z. Eerling.

RIEMAN, z. nw., m.. = Hendrik, Henri.

RIEMELING, z. nw.,m..— Z. Griemelingen. S.

<- Z. Eerling.

RIEMEN, werkw., onov. (hebben). Roeien , ramer. V. Ik heb in mijnen boot een halve uui*lang geriemd.

RIEMEN, werkw., overg.. = Met eenen riem vasthechten. K. cingere. De gekwetste ruiter ligt op zijn peerd geriemd.

RIESCH. bijv. nw. en bijw.. = Fletsch. Dat eten smaakt riesch.

RIESCHAAL, bijv. nw.. — Z. Rieschalig.

RIESCHALIG. bijv. nw.. — Een boom is rieschalig . wanneer de stam eenige ringen heeft die weinig of niet aan elkander gegroeid zijn.

Ook rieschaal, riezig en roeschalig.

Een rieschalige plaats, akker, wijk , grond waar de boomen gewoonlijk rieschalig zijn.

Bij C. ruig ; bij D. riesehaalde en rieschalde ; bij R. rijsschellig.

= Twijfelachtig, onzeker. Het weer is maar rieschalig , ik ga 'nen paraplu meenemen.

RIESRAAS, z. nw., m.. = Onnoozele klap flauwe praat. S.

RIESRAZEN, werkw., onov. (hebben). = Flauwen praat vertellen, razen. Hij heeft heel den avond geriesraasd.

RIESTER. z. nw., m. (niet o.). = (Boer) Rister. C. D. S. K. ritster , rijster , reyster, ploegh-schiurder = rulla.

Bij S. ook rister, rooster en ruster.

RIESTERNAGEL. z. nw., m.. = (Smid) Lange nagel met grooten vierkanten kop , gebruikt om den rister van den ploeg vast te zetten.

RIET . z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Beven gelijk een riet.

RIETEREER (zware <), z. nw., m.. Die gaat rieteren.

RIETEREN, werkw., onov. (hebben). ~ Alle werk doen dat de landarbeiders eigen is, zooals wieden, onkruid trekken, spitten, enz. De wiedkooi gaat uit om te rieteren.

RIETGAfRiS . z. nw., o.. = (Kruidk.) Glansgras, Baldmgera arundinacea . roseau, fam. Gram..

Ook watergars.

RIETHAAK, z. nw., m.. = (Kamslag.) Haak

dienende om de draden door te halen.

RIETJE, z. nw., o.. = (Wever) Ieder staafken

van het riet. D.

RIETLAT, z. nw., vr.. = Lat die men over het riet nagelt, b. v. om eenen plafond te leggen.

RIETPEE, z. nw., vr.. — Z. Peeën. RIETSCHOR, z. nw., o.. = Plaats met riet be¬

zet langs den oever van den stroom of de rivier.

Sluiten