Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Op iemand roepen, iemand roepen. C. K. Wie heeft er daar op mij geroepen ?

— Achter iemand roepen, iemand verwijten, spotwoorden naroepen. Zij riepen achter mij, maar ik heb gebaard dat ik 't niet hoorde.

ROEPER, z. nw., m.. = Iemand die in eene openbare verkooping de koopen veilt en ze aan de meestbiedenden toewijst. C. S.

— = Keelgat, keel, strot. V. C. D. S.

ROEPGELD. z. nw., o.. = Geld dat men betaalt aan den roeper in eene verkooping.

ROEPHOOREN. z. nw., m.. = (Schipp.) Gewone horen, die op de schepen in gebruik is.

ROEPVOGEL, z. nw., m.. = (Vinker) Vogel dien de vinker gebruikt om de vrije vogels te roepen. De roepvogels zitten gewoonlijk in eene kooi nevens de netten.

ROER , z. nw., o.. — Z. Wdb:.

Spr. : Zijn roer draaien , fel vliegen , van duiven. Zijn roer niet recht hunnen houden, dronken zijn.

— = (Vinker) Soort van hefboomken. Aan den eenen kant is een vogel vastgemaakt en in 't midden een koordeken dat de vinker in de hand houdt. Van tijd tot tijd trekt hij er eens aan en dan vliegt de roervogel op. D. S. R. K. roere - esca accipitrum.

ROERDER, z. nw., m.. = (Metser) Roerspaan.

ROERDRAAD, z. nw., m.. = (Vink.) Draad waar men van in het vinkhuizeken aan trekt om het roer te doen werken.

ROEREN, werkw., overg.. — Uwen bek, uw muil, u roeren, stout spreken, veel te praten hebben. Kind, ge moet u zoo niet roeren , laat oude menschen spreken en luistert er naar.

onov. [hebben). = (Vink.) Het roer bewegen om de

vrije vogels neer te lokken.

Roeren! roeren', mijn pap brandt aan, liedje dat

gezongen wordt in het spel namen geven. Z. Naam.

ROERLEEUWERK, z. nw., vr.. (Vink.) Leeuwerik die tot lokvogel dient en aan het roer gebonden is.

ROERMEIEN, z. nw., m., meerv.. = (Vink.) Kleine takskens die voor het roer staan. Zij dienen om te beletten dat de vrije vogels de roervogels zien opvliegen.

ROERMIK, z. nw., vr.. (Vink.) Houten mik aan welker beide uiteinden een roervogel met zijnen poot vastgehecht wordt.

ROERSIJS. z. nw., vr.. = (Vink.) Sijs die tot lokvogel dient.

ROERSCHACHT, z. nw., m.. — (Oliemeulen) Staaf van ijzer en hout die dient om het geperste zaad te roeren, opdat het niet verbrande.

ROERSTAAF. z. nw., vr.. - (Oliemeulen) IJzeren deel van den roerschacht.

ROESCHALIG. bijv. nw.. — Z. Rieschalig.

ROET, z. nw., o.. Smeer. V. S.

ROETEKOE. — Kreet der duif nagebootst. Hoort, de duiven doen van roetekoe.

ROETEKOEREN. werkw., onov. (hebiem. Roekoeken.

ROETPAN. z. nw., vr.. ■■■--- (Bliksl.) Bijzondere pan om keersroet in te smelten.

ROG, z. nw., vr.. — Z. Kiet. S.

Bij S. ook rogel en reugel.

— Wordt, in 't algemeen , van allen vrouwelijken visch gezeid.

Bij V. : roge (Zuidned.), kuit van visch.

ROGGEGELUI, z. nw., o.. = Glui gemaakt van roggestroo. Z. Gelei.

ROGGEKNUIST. z. nw., m en vr.. = Homp roggebrood.

ROGGENEN, bijv. nw.. — Van rogge. Roggenen brood. Hij kreeg 'nen roggenen boterham.

— (In het nonspel) Iemand een roggenen brood halen , iemand een grooten prik in de non geven.

ROGGENHEEF, ROGGEZUUR. z. nw„ m.. = (Bakk.) Zuurdeesem van rogge.

ROGSTEEN. z. nw., m.. = Bruine steen dien men soms in de onderlagen vindt, tufsteen.

Ook rokstsen.

ROK . z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Het hemd is nader als de rok, eerst voor familie zorgen, dan voor vreemden. Het is een hcelen rok houder vandaag, koud genoeg om eenen rok meer aan te doen.

= (Boer) Rijm, sneeuw, al wat het land in den Winter dekt. Het heeft goed gesneeuwd, nu heeft het graan 'nen goeden rok.

— : - Al de wol die een schaap draagt. Nen rok wol.

— (Wev.) Al de aaneenhangende hevels van den kam.

— = Vel dat op de oppervlakte van stilstaande water of van melk komt. R.

— = Rokken, spinrokken. Z. Wdb..

Spr. : Hij zal zijnen rok wel spinnen, hij zal wel tot goed einde brengen wat hij van zin is.

ROKBAND , z. nw., m.. = Roksband , band van den rok.

Spr. \ Hct profijt hangt in heuren rokband, zij is altijd uit op de winst.

ROKELEN , werkw., onov. .(hebben). — Rotelen , koteren. S. K. rokelen het vier. j. raeckelen. rutabulo proruere ignem. Rokelt eens in het vuur, opdat het wat beter aanga.

Gewest, bij V..

Bij S. ook reukelen. f

Sluiten