Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RONDSCHAAF. z. nw., vr.. (Kuiper) Soort van mes dienende om de duigen langs binnen te schaven.

RONDSEFFEN. RONDS JAFFELEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Rondsaffen.

RONDSLETSEN, ROND SLISSEN. werkw., onov. (hebben). = AI sleepvoetende herwaarts en derwaarts gaan. De zieke jongon sletst rond in heel 't huis.

RONDSOESELEN, werkw., onov. (hebben). = Al soeselende herwaarts en derwaarts gaan.

RONDTRAMPELEN. werkw.. onov. (hebben). = Rondtrappelen. C. Hij stond rond te trampelen van ongedurigheid.

RONDTROTTEN, werkw., onov. (hebben). = Ronddraven, rondloopen. D. S. Ik heb vandaag heel den dag moeten rondtrotten om de leden van de gilde op de begrafenis uit te noodigen.

RONDUUTJE , z. nw., o.. = Klein rond lapken

aat men op een te herstellen kleedingstuk zet.

RONDZAAD , z. nw., o.. = Zaad der koolzaadplant , graine de colza. D.

Ook zwart zaad.

RONDZEGGEN, werkw., overg.. Voortvertellen , uitbellen. C. S. T. R. Ziet maar dat ge dat niet rondzegt, ge moet dat nieuws voor u alleen houden.

1 IJiiJV. werkw., overg.. = (Smid) Doorzetten , verdiepen met den hamer.

— wederk. = Zijne volle goesting eten, en soms, drinken. Ik ga mij eens rondzetten aan een goede teiloor patatten.

RONDZOEKEN, werkw., onov. (hebben). — In alle richtingen zoeken. C. T. R. Ge moet goed rondzoeken om dien gevallen halven frank te vinden.

RONGE , z. nw., vr.. = Ieder der ijzeren of houten standers van den wagen die boven de wagenplanken uitkomen.

— = (Wever) Houten rolleken waar de poleiriemen rondloopen.

RONKAARD, z. nw., vr.. —Z. Ronhey, vlieg.

RONKEN, werkw., onov. (hebben . = Snorken in den slaap. Z. Wdb..

Spr. : Ronken gelijk een verken, van eenen slaper.

— = Gonzende galmen. C. D. S. K. crepare. De bieën ronken onder 't vliegen.

— Wordt ook gezeid van iets dat bedektelijk verteld wordt. C. D. Ik heb daar al vroeger iets van hooren ronken.

— = Morren , murmurer. D. S. Wat zit ge daar te ronken ? Ik en kan toch altijd uw willeken niet doen.

Gep. woord.: Ronken en pronken, ontevreden zijn.

RONKER , z. nw., m.. = Groote vlieg. S.

Sp. : Met de ronkers zitten , bang, bevreesd zijn.

— Ronkers maken. (Kinderspel). De kinderen nemen een dun houten planksken van o,o3 m. breed en 0,07 tot 0,08 m. lang. Aan de langste zijden maken zij tanden. Dit planksken hechten zij aan eene koorde. Daarna doen zij dit zoo rap rondzwieren als zij maar kunnen , en dit veroorzaakt een hevig geronk.

(Spinst.) Gewoon spinnewiel. Het wordt door eenen draaier met de hand bewogen.

RONNEN, werkw., onov. (hebben en zijn) = Stremmen. K. ronnen, j. runnen = tnanare. De melk begint te ronnen.

— overg.. = Doen stremmen. Melk ronnen met ze bij het vuur te zetten.

RONPOT , z. nw., m.. -- Z. Renpot.

RONSELAGHTIG. bijv. nw.. = Genegen tot ronselen.

RONSELEER (zwaree), z. nw., m.. = Die ronselt, die tot ronselen genegen is. D. Onder de Joden zijn veel ronseleers.

RONSELEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Knosselen.

RONSELWIJF , z. nw., o.. — Spotnaam , meisje of vrouw tot ronselen zeer genegen.

RONSELZAK. z. nw., m . — Spotnaam , jongen die geerne ronselt.

ROOD , bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr. . Zoo rood als bloed, als een kool vier, als een liaan. Geen rooden oilooden duit hebben, zeer arm zijn.

— De roode zijn goed gekende aardappelen. Zij zijn meest alle zwaarder dan de witte.

Men spreekt van glazen roode, bleeke roode. blauwe roode.

ROO(D)BEEN, z. nw., m.. — Boekweit die onder aan den stam rood is.

ROO D BRAAK . bijv. nw.. — (Smid) Het ijzer is roodbraak, als het scheurt wanneer men het, heet, wil buigen.

ROODE, z. nw., m..==Vuur,in het raadsel op vuur, ketel en melk : De roode blaast op den zwarten dat de witte schuimbekt.

ROODE ARON, z. nw., m.. — Z. Aron.

ROODE DOORN, z. nw., m.. —Z. Blomdoorn.

ROO(D)GAT, z. nw., o.. — Z. Floergat.

ROODE HOND. z. nw., m.. = (Boer) Ziekte van t vlas waarbij het een rooden schijn krijgt.

ROODE KRUISBLOM, z. nw., vr.. — Z. Bloe~ dige wonden 2°.

ROODE MARGRIET, z. nw., vr.. - Z. Margriet.

ROODE TINGEL , z. nw., m.. = (Kruidk.) Betonica grandiflora, bétoine a grandes jleurs, fam. Lab..

Sluiten