Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat te hard, ge moet een ander nemen. Het meerv. is scheerzen.

Zuidned. bij V..

Spreuk : Snijden gelijk etn scheers.

— = Klein plat ijzerken, dat een puntigen vorm heeft, en dient om in de bouten te steken en het opengaan der blaffeturen te beletten. D. S.

Ook scheer.

— (Bolspel) Een scheers spelen , hoek en negenman.

SCHEE(R)SBOUT (zware e), z. nw., vr.. — Z. Scheerhout.

SCHEERSCHOOL (zware e), z. nw., vr.. = Barbierschool. C. D. S. Hij gaat alle Zaterdagen naar de scheerschool.

SCHEERTOOM (zware e), z. nw., m.. = Toom die uitsluitelijk gemaakt is voor kwaadwillige peerden. Er is langs weerskanten een ijzeren plaatje aan dat, door aan de lijn te trekken, aan den muil raakt en er zoo fel op nijpt dat de peerden bedwongen zijn.

SCHEESEL, z. nw., o . — Z. Scheedsel, 2°.

SCHEET (zachte e), z. nw., vr.. = Wind, pet. Z. Wdb..

Spr. : Van een schiet 'nen donderslag maken. overdrijven. Zij kunnen geen scheet boven hun gat laten van armoede, op menschen die zeer arm zijn. Er mag geen scheet verkeerd schieten, of hij meent dat hij gaat sterven, van iemand die kleinmoedig is. Er kan geen scheet gelaten worden of hij is er bij, op iemand die zeer nieuwsgierig is. 't Is een scheet in een flesch of in 'nen vetzak, eene zaak die niets weerd is , op niets uitkomt. Hij is maar een scheet groot, zeer klein. Spreekt of laat een scheet dat ik iet weet, zegt men op iemand . die te lang wacht om te antwoorden.

— = Drek van vliegen en vloeien. C. D.

— Schimpnaam, vooral op vrouwen, kleinmoedige, nauwgezette.

SCHEEVEN, werkw. onov. (hebben). = Krom, mank, scheef gaan. Kent gij mijnen gebuur Jan ? Hij scheeft wat.

SCHEEVOOR (scherpe e, zachte o), z. nw., vr.. = Voor die tot grensscheiding dient. C.

SCHEEWEER (scherpe en zware e), z. nw., vr.. = Haag die twee eigendommen van elkander scheidt.

Bij C. en D. scheehaag.

SCHEI, z. nw., vr.. = Stuk gekloven hout dienende om aan het vuur te leggen. S.

Bij D. schier , bij S. ook scheid.

Spr. : Zoo hooveerdig, zoo drijkantig als een schei. Zoo mager als een schei hout.

— (Dijkw.) De scheien zijn . dwarshouten die den heiblok langs twee zijden omsluiten en hem tus-

schen de leiders houden als hij omhooggetrokken of neergelaten wordt.

SCHEIHAMER, z. nw , m.. — Z. Asthouthamer.

SCHEIREN, werkw., overg. en onov. (hebben).— Z. Scharren.

SCHELD, z. nw., o. (niet vr.) =. Schelde. C. Hij is van 't verdriet in 't Scheld gesprongen.

SCHELDEMEE(R)SCH (zware e), z. nw., m.. = Weide langs de Schelde gelegen. D.

SCHELDEN (ld = 11), werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Schelden gelijk een mosselman.

SCHELDEPALING, z nw., m.. = Paling, in de Durme of in de Schelde gevangen. Scheldepaling is de beste ; de paling uit kreken en grachten smaakt meest altijd naar den grond.

SCHELDEZAND, z. nw., o.. = Zeezand.

SCHELE OOGEN, z. nw., vr. meerv.. — Z. Muizenoor.

SCHELF, z. nw,, m.. = (Boer) Zoldering boven de stallen waar men hooi, stroo enz. op tast tot voorraad van den Winter. S. R.

Ook schelft.

Bij V. : hoop , stapel.

Spr. : Uw schelf valt in , uwe maag rispt op.

SCHELFEREN, werkw., onov. (hebben en zijn). = Schilferen, in schilfers afvallen. D. K. in micas frangi. Als de muur vochtig is , schelfert het bezetsel.

Bij D. ook schuif eren.

SCHELFSEL, z. nw., o.. = (Smid) Schilfer, afspringsel van gesmeed- of plaatijzer.

SCHELFT, z. nw., m.. — Z. Schelf. C. S. T.

SCHELFTBALK, z. nw., m.. = (Boer) Balk die op de steekbalken der schuur ligt en waar men stroo , hout enz. op tast.

SCHELLE, z. nw., vr.. = Schel, schil, afgesneden pel van aardappels , appels , peren, enz.. D. S. K. cortex, membrana.

— = Afgesneden stuk vleesch , kaas, enz.. D. S. Een schelleken vleesch.

— = Reep aarde die met den ploeg afgesneden en omgekeerd wordt. D. Een schelle vette eerde.

SCHELLEKESGAST, z. nw., m.. - Spotnaam, bewoner van het Schelleken, eene der slechtste straten van Antwerpen.

SCHELLEN, werkw., overg.. — Z. Wdb . Patatten schellen.

— tusschenw. (zijn). = Geschild worden. C. Een drooge peer schelt bijna niet.

SCHELP, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Geladen zijn gelijk Joris aan zijn schelpen, zeer zwaar.

Sluiten