Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

paad van met den marmel te schieten. T. R.

Scheuten leggen. Kinderspel: 't Wordt gewoonlijk door twee spelers gedaan. De eerste werpt 6 of 7 stappen vóór zich eenen marmel, de tweede werpt zijnen marmel uit om den eersten te geraken, doch met de voorzorg dat de zijne eenige stappen voor den eersten vliegt, want nu mag de eerste weder schieten naar den bol van den tweede, enz. Gelukt het iemand den bol van zijnen tegenmaat te geraken, dan wint hij eenen marmel.

— = (Brouwer) Afval van gemoute gerst.

— = (Wever) Draad dien de schietspoel in den gaap achterlaat.

___ Schoot. steek. C. Daar komen dikwijls scheuten in mijnen kop.

Helling. R. Een goot moet wat scheut hebben.

De akkers liggen met een scheut om beter af te wateren.

Ook val.

— = (Potbakk.) Soort van stelling met verscheidene planken op verschillende hoogte waar men de te drogen potten op zet. De scheut staat op de droogplaats van het werkhuis.

Z. Bovenscheld en Onderscheut.

Op scheut staan om, op het punt zijn van. D. Hij

stond op scheut om te gaan loopen.

Bij D. ook op schote staan.

SCHEUT, bijw.' = (Wever) Schietveerdig-, gereed om de spoel te schieten. Ik ga mij scheut zetten. Wanneer zult gij scheut staan ?

SCHIERS, bijw.. = Schier, bijkans. D. 't Is schiers te koud vandaag om buiten te komen.

SCHIETACHTIG, bijv. nw. = Ras verschrikt, schichtig. Dat peerd is bijzender schietachtig.

SCHIETBEETEL, z. nw., m.. = (Schrijnw.) Smalle beitel. S.

SCHIETBIE, z. nw., vr.. = Gele ronker die veel op de bloemen aast.

SCHIETBOOM , z. nw., m.. — Z. Steekboom.

SCHIETELAP, z. nw., m.. — Z. Schietlap.

SCHIETEN, werkw., overg. en onov. (hebben en zijny _ z. Wdb.. De snoek schoot naar onderen. Laat dien vent maar schieten. De vlieger schoot in de hoogte. Het mes schoot uit zijn hand. Daar schoot mij wat deur 't hoofd. Zijn naam wilt mij niet te binnen schieten. In 'nen lach schieten. Een touw laten schieten. De blombollen schieten. De salade schiet in 't zaad. De planten schieten goed in de hoogte. Brood in den oven schieten. Met een geweer schieten. U deur (niet voor) den kop schieten. Zijn krachten schieten te kort.

Spr. : Het niet laten schieten, aanhouden. Van veuren af aan schieten, scheuten onder 't water geven. Niet geschoten is zeker mis , wagen geeft kans. Met spek of met ie lacle schieten, grootspreken, leugens vertelleij.

Wij zeggen : in 'nen (en niet den) lach schieten. Zoo

ook in een groote colere schieten.

— (Wever) Een scheut schieten, de schietspoel over en weer jagen en zoo eene scheut in den gaap achterlaten.

— = (In 't 'kaarten) Koopen, troef werpen op eene uitgespeelde kaart die men niet volgen kan. Ik had zoo een schoon spel en hij schoot al mijn schoone slagen.

Ook stekken en snijden.

— (Boer) De eerde schieten, spitten zonder keeren , zoodat de grond blijft liggen gelijk vroeger Z. Keeren.

Zijn zaad, zijn eiers schieten, leggen, van den

visch gezeid. De visschen beginnen hun zaad te schieten.

— (Boer) Nen mg schieten. Z. Rug.

Water schieten, wordt gezeid van pap en melk,

als het water bovenkomt en met de melk niet mengen wil. De melk schiet water.

Schiet! schreeuw der kinderen als ze iemand

schieten of vangen in 't spel piepkenduik.

= (In de kinderspelen) Ontdekken, vinden. Komt maar uit, ik heb u geschoten.

— = Bedriegen, foppen, verneuken. Ge zult gij mij niet schieten, ik ken uw streken al lang.

— Zijn koleur schieten, zijn kleur verliezen , afgaan. C. D. S. Die stof schiet gemakkelijk heur koleur.

Bij K. schieten sijn verwe, amittere colorem.

Ook schieten (zijn), alleen. Die stof is geschoten.

Bij R. afschieten

— onov. (zijn). = Opbrengst geven, van oogst en vruchten gezeid. C. S. T. R. De rogge is goed geschoten.

— onov. (hebben). In den neus schieten, van zaken die geweldig rieken, en van dranken die straf zijn. Bormsch bier schiet in den neus. Van als ge binnenkomt , schieten de kooien in den neus.

jlr (u) van onder schieten. weggaan, vertrekken.

't Is tijd van slapen , ik schiet er van onder.

— Schietende gedachten hebben , veranderlijk van meening, van gedacht zijn.

onoverg. (zijn), (enkel als verleden deelwoord gebruikt). — Z. Overgaan. De lading is geschoten.

SCHIETER, z. nw., m.. =- Iemand die veranderlijke, schietende gedachten heeft.

— = (Smid) Deel van het anker dat loodrecht in 't oog steekt. C.

— Z Klopper.

SCHIETING, z. nw , vr.. = Wedstrijd waarbij men naar de wip of naar de doelen schiet. C.

Sluiten