Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SCHRANSLOOPER. z. nw., m.. = (Schipp.) Schanslooper, korte gebreide vest. C. S.

SCHRAP, bijw.. = Bekrompen, arm. C. D. S. O. 't Zit maar schrap bij onzen gebuur. Het maar schrap hebben.

— = Nauwelijks , met moeite , krap. C. Ik zal maar schrap met mijn geld toekomen.

SCHRAPMES, z. nw., o.. = (Schipp.) Breed mes waar men het teer mee afschrabt.

SCHREEF (zachte «), z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Een schreef veurhebben, zeer toegevend behandeld worden. Over de schreef gaan, de grens der gepastheid overschrijden. Of> de schreef drinken , zonder te betalen. Hij kan nogal een schreef vagen , veel eten.

SCHREEKOUS (zachte e), z nw., vr.. =Kind, vooral meisken , dat gedurig schreit.

SCHREEËN. werkw., onov. (hebben). — Schreeuwen , roepen.

Spr. : Schreien gelijk een bezetene, gelijk een verken, alsof ze u 't vel afdeden. Schreien eer ge geslagen wordt, roepen vóórdat er nood of reden is. Moord en brand schrerën. Z. Moord. De wind schreet om regen, als hij luide tegen vensters en deuren komt huilen

— = Schreien , weenen. Als zijn vader stierf, schreede hij gelijk een klein kind.

Bij C. schreeuwen ; bij D schreemen.

SCHREEM (scherpe e), z. nw., vr.. = (Vogel) Anthus spinoletta, pipit aquatique.

SCHREEMUIL (scherpe e), z. nw., vr.. = Kind dat geiurig schreit. R.

SCHREEPGLAS (zachte e), z. nw., o.. = (Blokmak.) Glas waar men de schoenen mede schrapt.

SCHREEPMES (zachte e), z. nw., o . = (Blokmak. en anderen) Oud, maar scherp snijdend mes om te schrappen D. S.

SCHREEPOP (scherpe e), z. nw., vr.. = Pop die men eenige klanken kan doen uitbrengen welke op een schreiën gelijken.

SCHREEPPEERD (zachte e en zware e), z. nw., o.. = (Blokm.) Houten gestel waar de blokken op staan, als ze moeten geschrapt worden.

Ook schreperspeerd.

SCHREEPSEL (zachte e), z. nw., o.. = Schrapsel.

SCHREEPSTAAL (zachte e), z. nw., o.. = (Schrijnw.) Plat en scherp ijzer dienende om 't hout fijn te schrappen.

SCHREEPVEL (zachte e), z. nw., o.. = Lederen voorschoot door blokmakers en vlasbewerkers gedragen.

SCHREESMOEL , SCHREETOOT (scherpe e, zachte o), z. nw., vr.. — Z. Schreemuil.

SCHREEUW), z. nw., m.. — Z. Wdb.. Nen

schreeuw ophalen.

Spr. : Dat duurt maar 'nen schreeuw, is van korten duur.

SCHREE'UWiER, z. nw.. m.. — Z. Fransch.

SCHREMPELGRAAN, z. nw., o.. = (Boer) Klein graan dat niet volwassen is.

SCHRENSEN, SCHRENZEN , werkw., onov. (hebben). — Z. Kretsen. Het mes schrenst op de talloor.

SCHREPELING, z. nw.. m., meest meerv.. = Afval bij 't schrappen. D. S. Als ge 'nen wortel schreept, vallen de schrepelingen naar beneden.

SCHREPEN, werkw., overg.. = Krabben, afschrappen, schrappen. D. S. K. radere. Blokken schrepen met een glas. Het vlas schrepen met den schreper.

Spr. : Hij zal mijn pee of mijnen wortel niet schrepen. Z. Pee.

SCHREPER. z. nw., m.. = (Blokm.) Hij die blokken schrapt.

— = (Vlas) IJzeren mes dat zeer bot is, ineen houten handvatsel steekt en dient om het vlas te schrepen. D.

SCHREPERSPEERD . z. nw., o.. — Z. Schreeppeerd.

SCHRIFT, z. nw., o. (nooit vr.). — Het heilig Schrift. C.

SCHRIFTGELEERDE, z. nw-., m . — Schimpnaam , man uit het volk die over groote zaken spreekt, volksfilosoof.

SCHRIJFACHTIG, bijv. nw.. = Genegen om te schrijven. C. 't Is drij weken dat ik geenen brief van u ontvangen heb, nu weet ik dat gij niet schrijfachtig zijt.

SCHRIJFGERIEF, z. nw., o.. - Schrijfgereedschap. C.

SCHRIJFKAS, z. nw., vr.. = Scholiersgerief, houten kas waarin men boeken naar de school draagt of in de school bewaart.

SCHRIJFLAT, z. nw., vr.. — (Schrijnw.) Dunne lat van onbepaalde lengte om op de te bewerken stukken hout eene rechte lijn af te schrijven. C.

SCHRIJFPUNT, z. nw., o.. = (Schrijnw.) Stalen punt of spits, soms in een houten hecht gevat, waarmede men op houten voorwerpen de verschillende afmetingen voor het te maken werk trekt. C.

SCHRIJFSPAAN. z. nw., o.. = (Schrijnw.) Werktuig om op het hout evenwijdige lijnen te teekenen.

72.

Sluiten