Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SCHUIFELVEUR. z. uw., vr.. —Z. Scherfelveur.

SCHUIFLAT, z. nw., vr.. — Z. Looper, schrijnwerker.

SCHUIFLEEST, z. nw., m.. — Z. Iiapleest.

SCHUIFPLAAT, z. nw., vr.. = (Smid) Metalen plaatje met eene opening waar iets in- en uitschuift. D. De slotplaat is een schuifplaat.

— = (Smid) Metalen plaat waar een schuifslot met krammen aan vast is. D.

SCHUIFPOE DjER, z. nw., o.. =Wit poeder gebezigd om den voet gemakkelijker in eenen nieuwen schoen.te doen glijden. C.

SCHUIFRIEM, z. nw., m.. = (Voerman) Lederen riem om de lijn omhoog te houden.

SCHUIFSLOT, z. nw., vr.. = Grendelslot. D.

SCHUIFSTROP, z. nw., o.. — Z. Loopstrop.

SCHUIFTAFEL, z. nw., vr.. = Lange speeltafel waar men schijven op voortdrijft, galet. D.

SCHUIFTREKKER, z. nw., m.. — Z. Schijftrekker.

SCHUIFWINDE, z. nw., vr.. = (Spoelenm.) Winde die men vergrooten of verkleinen kan.

SCHUIL, bijv. nw.. — Z. Schruil. x°.

SCHUIL , z. nw., o.. — Z. Schruil. £. K. aphthos.

Bij R. muilkwaal der peerden.

Bij V. : (Zuidned.) spruw.

SCHUILHUIZEKEN, z. nw., o.. —- (Eendenk.) Hut, verblijf van den kooiman. In het schuilhuizeken eet en werkt de kooiman ; daar ook ligt zijn gereedschap.

SCHUIM . z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Op het schuim loopen, op de klap.

SCHUIT, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Zijn schuit van kant steken , zich uit de voeten maken.

— = Schertsende, groote platte hoed, groote schoen.

SCHUIVEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

— De root schuiven. Z. Root.

Rootje schuiven, op eene rij een voor een de beurt

afwachten. Als er veel volk op den trein gaat, moet ge aan 't winket dikwijls rootje schuiven.

— onov. (zijn). = Heimelijk weggaan, wegloopen. Hebde hem naar huis zien schuiven, als zijn vader kwam ?•

(hebben). = Glijden. De jongens schuiven op een

schuifbaan.

— onov. [zijn). = Voortgaan, fr. avancer. D. De bouw van dat huis is al verre geschoven.

_ = Opgaan, verminderen C. D. Mijn geld begint te schuiven. Mijn boter is al verre geschoven.

SCHUIVEN, werkw., onov. (heiben). =*= (Vinker) Een weinig hoog of in den kant vliegen, wordt van lijsters gezeid.

SCHULMSEL, z. nw., o.. =- Schimmel.

SCHULPERWT, z. nw., vr.. - Z. Breekerwt.

SCHULPZAND, z. nw., o.. = (Dijkw.) Schelpzand.

SCHUMMEL, z. nw., o.. = Schimmel. C.

SCHUP. z. nw., m.. = Schop, stoot met den voet. C.

Spr. : De loon van de deugcl is een schup in 'tgat. Iemand 'nen schup onder de broek geven, wegjagen. Geenen schup onder de broek weerd zijn , tot niets deugen.

— = Schop, spade. C. D. K. pala.

Ook schip.

SCHUPPEN. werkw., overg.. = Schoppen. C. D. S. K. ptotrudere.

Spr. ; Iemand in den nek schuppen, foppen, bedriegen (door woorden of werken).

SCHUPPENAAS, z. nw., o,. = Aas van schoppen.

Spr : Zoo zwart als schuppenaas.

SCHUPSTOEL, z nw., m.. = Schopstoel. C. S. K. sedes qua quis subito cxpellitur deturbaturque.

Spr. : Op 'nen schupstoel zitten, niet zeker zijn van zijne betrekking.

SCHURAS, z. nw., vr.. = Vrouw die bij de burgers en bij de rijke menschen gaat schuren, schuurster, schrobster.

SCHUREN, werkw., overg.. — Z. Wdb.. Den vloer schuren, koper schuren.

— (Mets.) Plaveien schuren, ze effenwrijven.

Spr. : Plaveien schuren, rood worden van schaamte.

SCHURFT, z. nw., o. (niet vr.). — Z. Wdb..

SCHURFT, bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr. ; Daar is geen kooi schapen of daar loopt een schurft onder.

— = Leelijk , onzedig, ontstichtend. S. 't Is schurft dat te durven zeggen.

SCHURFTERIK, z. nw., m.. — Zedelooze kerel.

SCHURING, z. nw., vr.. = Berisping, vermaning. T. R. Een ferme schuring krijgen.

SCHUTNET. z. nw.. vr.. = (Vissch.) Net van bij de duizend meters lang , waar men bot mee vangt.

SCHUTSEL, z. nw., o.. — Houten afschutting of afscheiding K. paries intermedius. In de school staat een schutsel tusschen de klassen.

— = Windscherm K. plutens.

SCHUTSELPAAL, z. nw., m.. = (Eendenk.) Houten paal tusschen de schutsels om deze vast te

Sluiten