Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SEPPEN. z. nw., m.. -= Jozef, gemeenzaam. C. S.

— Z. Djoeben. C. S.

Bij T. seppe.

SEPTEMBERLELIE. z. nw., vr.. = (Kruidk.) Lilium lancifolium, lis tigré, fam. Liliac.. Bij D. Christuslelie.

Ook tigerlelie.

SERE"WORRJG , bijw.. — Z. Segenworrig.

SERNITWEE, tusschenw.. — Bastaardvloek. T. R.

Bij C. sjarnitwee.

SERPENT, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo venijnig als een serpent. op een boos wijf. Oogen gelijk een serpent, helder en stout.

SERPENTENBOOR (scherpe o), z. nw., vr.. — Z. Krulboor.

SERPENTIEN, z. nw., vr.. = (Kruidk.) Cactus flagelliformis, serpentine , fam. Cact..

SERROOP, z. nw., vr.. = Siroop, stroop. D. S.

SERROOPDICHT, bijv. nw.. = Ondoordringbaar voor siroop. Dat vat moet siroopdicht zijn.

SERROOPSAUS, z. nw., vr . = Saus van siroop en boter. Gewoonlijk eten de menschen brei met siroopsaus.

SERROPEBOTERHAM, z. nw., m.. = Snede brood met siropevet gesmeerd. De kinderen zijn verliefd op serropeboterhammen.

SERROPEBROODJE. z. nw., o.. = Broodje met siroop tusschenin.

Spr. : Zoo bleek als een afgelekt serropenbrood.

SERROPEVET, z. nw., o.. = Smeersel voor 't brood, dat men bekomt met afgesmolten vet en siroop dooreen te mengelen.

SERTIJN , z. nw., m.. = Satijn.

SERTIJNEN, bijv. nw.. = Van satijn. Een sertijnen kleed.

SERVET, z. nw., vr. (niet o.). — Z. Wdb.. C. R.

SERVITUUT, z. nw., vr. (niet o.). — Erfdienstbaarheid. Z. Wdb..

— meest in 't meerv.. = Lastige plichtpleging. Aan 't koopen van een huis zijn dikwijls veel servituten, 't Goed van weezen verkoopon vraagt veel servituten.

SESKENS, z. nw.,o. ? altijd in 't meerv.. — Z. Cessens. D. S.

SESSEN, SESSENS. z. nw., ? altijd in 't meerv.. — Cessens. S.

SESTIG, bijv. nw.. == Zestig. C. D. S.

SEUT , SEUTE. z nw., vr.. =Vrouw die weinig verstand heeft. D.

Bij D. ook suite ; bij S. sut.

SEUTEBEES (zachte e), z. nw., vr.. = Eenvoudig meisje, seut.

SEUTEKA, z. nw., vr.. = Onnoozel vrouwmensch, vrouw die weinig verstand heeft. D. S.

Bij D. ook sulteha.

SEUTEMIE. z. nw., vr.. — Z. Seut.

SETJTEREER (zware e), z. nw., m.. = Die slecht schrijft, krabbelaar.

SEUTEREN , werkw., onov. {hebben). = Slecht, vuil schrijven. De kinderen van de bewaarschool kunnen wel seuteren, maar nog niet schrijven.

SEUTERPAPIER, z. nw.,o.. = Papier om los of in 't vuil op te schrijven.

SEUZE, z. nw., vr.. = Onnoozele vrouw.

Ook sooze.

SEVENTIG, bijv. nw.. = Zeventig. C. D. S.

SEZOEN, z. nw., o.. = Seizoen.

SFINX. z. nw., m. (niet vr.). — Z. Wdb..

SHAKO. z. nw., m.. —Hoed der soldaten.

SI. tusschenw.. — Zie, daar zie, liins, voila. C. Si ! si ! wie had dat gepeisd ?

Ook zi; bij S. see, sei, sij, soei; bij R. sei.

SICHTEN. SICHTENT. voorz. en bijw.. = Sedert, depuis. D. S. K. sicht, sichtent. O. Sichten zijn ziekte is hij veel verstruischt.

Bij D. en S. ook sichtens.

— Sichten dat, sedert dat. D. Hij is veel gegroeid sichten dat ik hem gezien heb.

SIEK , z. nw., vr.. = Tabakpruim.

SIEKEN. werkw., overg. en onov. [hebben). = Tabak kauwen.

SIEKTOEBA.K, z. nw., m.. = Pruimtabak.

SIEP, z. nw., vr.. SIEPKEN, o.. •= Klein kieken, kuiken.

Ook sjup.

SIEPEN, SJIEPEN, werkw., onov. (hebben). — Woord om het gerucht, het geroep van een jong kieken uit te drukken.

SIERAAD DER TUINEN, z. nw., o.. = (Kruidk.! Weigelia rosea, fam. Caprifol..

SIERIKEN, werkw. onov. (hebben). — Z. Psieriken.

SIESKA, z. nw., vr.. — Francisca verkort.

— = Spotnaam. Gij lompe Sieska, gij vuile Sieska.

SIESKOWIE (klemt op wie), z. nw., m.. = Einde van het lied van sommige vinken. D.

— = Vink die haar lied met sieskowie eindigt.

Ook sieshowiet.

SIESKOWIET (klemt, op wiet), z. nw., m.. — Z. Sieskowie.

Sluiten