Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achterzijde een weinig gerond staat. De sleep wordt gebruikt om de vletzoden, die in het schor gesteken worden , naar de polderbooten over te brengen.

— m.. — (Schipp ) Een sleep wordt gezeid van eene menigte binnenschepen, die alle door éene sleepboot voortgetrokken worden.

SLEEPBAAI, z. nw., vr.. = (Dijkw.) Uitgegraven weg op het strand , van aan het schor tot aan het water. Het is langs de sleepbaai, dat men de vletzoden met de sleep naar het schip overbrengt.

SLEEPTOUW, z. nw., vr.. — (Schipp.') Z. sleeptros.

— Op sleeptouw nemen , voortslepen.

— (Kaartspel) Op sleeptouw meegaan, meegaan zonder goede kaart. vol betrouwen op de goede kaart van den maat.

SLEEPTROS, z. nw.,vr.. = (Schipp.) Zeer dikke touw waar een zeeschip mee vooruitgetrokken wordt. V.

Ook toogtros.

SLEEPSLEEP (zachte e), bijw.. = Traag, al slepende. Sleepsleep over de straat gaan.

SLEEPWERK, (zachte e), z. nw., o..=(OHemeulen) Al het getuig, zooals bijsleper, afraper , enz., dat in het steenbed werkt om het zaad onder of van onder den steen te trekken.

SLEET (zachte e), z. nw., vr.. — Z. Wdb..

— Wij zeggen : er is nog geen sleet op en niet aan. D.

— Goed sleet doen, sterk en duurzaam zijn, van stoffen en kleeren gezeid. C. D.

SLEETVOEREN (zachter), werkw. overg., scheidb.. = Verslijten , tot het laatste oogenblik houden. Ik doe mijn ouden hoed niet weg, ik ga hem sleetvoeren. Die twee oude broers zullen malkander sleetvoeren.

SLEFFEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Keffen.

SLEGEL, z. nw., m.. —Z. Regen.

SLEK, z. nw., vr.. = Slak.

Spr. ; Zoo traag. lui, als een slek. Kruipen gelijk een slek, zeer traag gaan.

— Z. Borg.

— Z. Kies. T.

— Z. Botterik.

SLEK, z. nw., m.. = Slegge , groote houten hamer.

SLEKKE(N)STEKER, z. nw., m.. — Spotnaam dien men geeft aan eene bajonet, aan eenen kleinen degen C. D.

Spotnaam, soldaat, politieagent.

SLEKKEVET, bijv. nw.. — Vet als een slek, zeer vet. D. Dat verken is slekkevet.

Bij C. Slekvet.

SLEMPE, z. nw., vr.. = Koek , wafel en al wat te weinig gebakken is. S.

SLENTER, z. nw., m.. = Reden , praat. Er komt uit zijnen mond niet anders als slechte slenters.

SLENTEREER, z. nw., m.. = Slechte klapper.

SLENTEREN, werkw., onov. (hebben). — Slechten , zedeloozen praat vertellen.

SLEP. z. nw., vr.. = Slip, basque. D.

Spr. : Aan iemands sleppen hangen, achter iemands steppen loopen, hem overal volgen, vooral om te vleien of te vragen.

— = (Timmerm.) Lange inkerving. K. incisura. Een slep in een stuk hout zagen.

SLEPEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Wdb.. Uw kleeren slepen.

— overg. = Sleepen , langs den grond voorttrekken. Ze slepen 'nen dooden hond naar den sloot.

— onov. (hebben). = (Metser) Achterover hellen. V. D. Die muur sleept een weinigsken.

Bij C. sleipen.

Het tegendeel is vliegen.

— = (Vissch.) Visschen met het sleepnet.

— = (In 't jasspel) Eene hooge kaart achterhouden om later des te meer op te halen. D.

— Z. Knotsen. D. S. R.

Bij C. sleipen.

— Slepende eeg, omgekeerde eg.

— (Mets.) Slepende tand, begonnen metswerk dat bij iedere laag een halven steen in lengte vermindert.

SLEPER, z. nw., m.. = Iemand die sleept in 't kaartspel.

— = Sleeper, sleepboot.

Bij C. sleiper.

— = (Boer) Balk waar de strijkplaat op genageld is.

SLEPMUTS, z. nw., vr.. = Vrouwenmuts van vroeger, met op zijde twee neerhangende slippen, klampers of vleuringen.

SLEPZAK, z. nw., m.. — Zak in de slip eener frak.

SLES, SLEZZE, z. nw., vr.. = Slede. S.

— = Houten raam waarop de landbouwer den ploeg of de egge legt om ze van het hof naar den akker en van den akker naar het hof te voeren.

Bij D. slee en slette ; bij T. en R. sleu.

SLETIG, bijv. nw.. = Schadelijk, sleet veroorzakend. C. R. Veel op de trappen loopen is sletig aan de schoenen.

SLETS, z. nw., vr.. = Lederen schoen met muil, maar zonder achterstuk. C. D. S.

Spr. : Op zijn sletsen loopen of leven , van zijn renten leven.

Bij D. ook slesse en slisse.

— Spotnaam op vrouwspersonen. D. S. K. muiier ignava. Vuile , luie slets !

SLETSEN, werkw. onov. (hebben). — Sletsen dragen.

Sluiten