Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLIJMKETEL, z. nw„ m.. = (Brouwer) Ketel

die het slijm bevat.

SLIJPER, z. nw., m.. = Bedrieger, valschaard.

S.

Bij S. ook slilper.

SLIJPSTEEN, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. ; Zoo hard als een stijfsteen, van brood gezeid.

SLIJT AKKER, z. nw., m.. = (Vlas) Akker waarvan men het vlas slijt.

SLIJTAS, z. nw., vr.. = Vrouw die vlas uittrekt.

SLIJTELIJK, bijv. nw.. = Kunnende gesleten worden, van het vlas gezeid. Wordt meest met niet gebezigd. Het vlas ligt allemaal omverre, 't en zal niet slijtelijk zijn.

SLIJTEN, werkw., overg.. = (Boer) Uittrekken ,

enkel van 't vlas gezeid. D. S.

— onov. (zijn). = Breken. R. Pas op of ge slijt. Die werkman is gesleten.

SLIJTER , z. nw., m.. — Man die slijt, vlas uit- j trekt. D. S.

SLIJTFOOI, z. nw., vr.. = Feest na het slijten van 't vlas.

SLIJTPAP, z. nw., m.. — Dikke bloempap die aan de slijters tot fooi gegeven wordt. D. S.

SLIJTTIJD, z. nw., m.. = Tijdstip waarop men het vlas uittrekt. D. S.

SLIKGAT, z. nw., o.. = Rotte plaats eener straat waar er nog slijk te zien blijft als het ander gedeelte reeds droog ligt.

SLIKHOOP, z. nw., m.. = Hoop slijk.

SLIKKEN, z. nw., o., altijd meerv.. = (Dijkw.) Deel van het strand, dat door den vloed onder water komt. Het is op de slikken dat men weren en fuiken plaatst om bot te vangen.

SLIKSTRAAT , z. nw., vr.. = Vuile straat.

SLIKZOOI, z. nw., vr.. = Zeer beslijkte plaats

SLIM, bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo slim als een vos.

Ook slum.

— Iemand slim spelen , slem. D. S. Die in 't kaarten geen enkelen slag heeft. is slim.

SLIMHEID, z. nw., vr.. —Z. Wdb..

Spr.: Alles bestaat in een slimheid, behalve vlooien vangen.

SLIMMEKEN , z. nw., o.. — Spotnaam , domoor. Spr. : Slimmeken is zijn bvoer, het is een domme.

SLIMMERIK, z. nw., m.. = Schalkaard, behendige kerel. C. D. S.

Zuidned. bij V..

Ook slummenk.

SLINGER , z. nw., m.. — Z. Hcuningslinger.

— = Kronkelende bliksemschicht. C. Hebt ge dien slinger vier in de lucht gezien ?

— Snot en slinger schreeën, al kwijlende weenen.

SLINGERDESLANGER, bijw.. = Slingerdeslang. C. K. slmgerslanger, spira. Hij slaagt zijn beenen slingerdeslanger.

SLINGEREN, werkw., onov. (hebben). = Slingerbeenen. Als een kalf koe veel slingert, heeft zij deurgaans 'nen stier in.

— overg.. — (Bieman) Honing slingeren, met den slinger uit de raten jagen. Biemans die den voortgang der bieënteelt beoogen, slingeren hunnen honing. Geslingerde honing is honing van i<= kwaliteit.

SLINK. bijv. nw.. = Linker. C. R. K. sinister.

— Iemand die in den dag dikwijls ongelukkig is, zal zeggen : ik ben met mijn slink been uit mijn bed gekomen.

Verouderd bij V..

Ook slunk en slünhsch.

SLINKEPOOT, z. nw., m.. = Iemand die veel zijne linkerhand bezigt om te werken. C. S. K. qui sinistra manu utitur pro dextera.

SLINKS, bijw.. — Z. Wdb..

Spr.: Niet slinks gevallen zijn, snedig antwoorden, behendig te werke gaan. Slinks wachten om te eten , scherts, beginnen te eten.

SLINKSCH. bijv. nw.. = Linker. C. K. sinister. Zijn slinksch been.

— Slinksche knoop, dubbele knoop gemaakt van twee achtereenvolgende en gelijk gelegde knoopen.

— Slinksch zijn, zich gewoonlijk van de linkerhand bedienen. D.

SLINKSCHE, z. nw., vr.. = Klap, klets, slag. Petrus sprak zijn vader tegen en hij kreeg een slinksche.

SLIP, z. nw., vr.. — Z. Slep.

SLIPBEETJE (zachte e), z. nw., o., SLIPGEERD. m.. = Lapken lijnwaad dat men juist boven de opening der slippen van het hemd zet, opdat zij niet hooger openscheuren.

SLIPPEN, werkw., onov. (hebben). = (Marmelspel) Bij het schieten of knippen , den marmel de hand

laten ontglijden.

Slippens beteekent : als de marmel ontglijdt,

io mag er herspeeld worden (zoo de speler eerst roept), 2° mag er niet herspeeld worden (zoo de tegenpartij eerst roept).

— Slippens nou , wordt geroepen, als de speler eenc eerste maal slipte, en beteekent het tegenovergestelde van het eerstgeroepene slippens.

SLISSEN, werkw., onov. (hebben). = Sletsen. D. Dat oud manneken slist gedurig rond de kamer.

SLOBBE , z. nw., vr.. = (Vogel) Lepeleend. V..

Sluiten