Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLOKKEREN, werkw., onov. (hebben). = Loshangen door te groote wijdte. S. Heur kleed slokkert aan heur lijf.

Bij D. slokeren.

SLOM, bijv. nw. en bijw.. = Krom , scheef. D. S.

Meest gebruikt in degep. w. : Krom en slom.

SLONS, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. ; Een pop op straat, een slons in huis.

SLONSEN, werkw., onov. (hebben). = Gaan, gekleed zijn als eene slons. Zij slonst alle dagen over de straat.

SLONSIG, bijv. nw., en bijw.. = Vuil, onverzorgd. Wat slonsig wijf.

Gep. woord. : Slonsig en sleurig gekleed zijn.

SLOOF (scherpe o), z. nw., vr.. — Z. Kamervet.

— = (Smid) Het vastliggend deel van 't anker dat op eenoog eindigt waar de schieter in steekt.

— = (Schipp.) Kous, ijzeren of koperen ring, die het oog der touwen openhoudt.

= Handvatsel aan den steel eener zeis. C.

Ook sloover.

— = Halve kous, kous die wat boven den knöesel komt.

Bij S. sloofhous.

Ook sloover.

SLOOFSPOEL, z. nw., vr.. = (Wever) Spoel die afslooft of afschuift.

Ook vink.

SLOOR (scherpe o), z. nw., vr.. = Vrouw die te goed is of lichtgeloovig is. C. D. S. R.

Bij V. : slons, sloerie.

— meest in 't meerv.. = Koolzaadplant. C. D. S.

Gewest, bij V..

SLOOT (scherpe o), z. nw., m. envr.. — Z. Wdb..

SLOOT (zachte o), bijw.. — Sloot zitten, vast. De arduinsteen zit sloot in den put.

SLOOTEN , werkw., overg.. = (Dijkw ) Uitmaken en van diepte steken. V.. Watergangen slooten.

— werkw., onov. (hebben). = Eenen sloot uitmaken of uitkuischen.

SLOOVEN , werkw., onov. (hebben). — Sloven. Hij moet alle dagen hard slooven veur zijn korst brood.

SLOOVEN, werkw., onov. (hebben en zijn). — Z. Wdb.. K. O.

Zuidned. bij V..

Komt voor in af- en opslooven.

Ook sloover en, sluiven en sluiveren.

SLOOVENKOLEUR, z. nw., o.. = Purperen sajet waar men veel slooven van breit.

SLOOVER , z. nw., m.. = IJzeren ring dienende om iets vast te zetten. Men maakt de pik vast aan de werf met 'nen sloover.

Bij D. sloof.

— Z. Sloof, 4°.

— = Sloof, half kous.

— = Overslag , omgevouwen deel van eene mouw. D. Mouwen met sloovers.

SLOOVEREN. werkw., onov. (hebben en zijn). — Z. Slooven.

SLOP. z. nw,, o.. = Opening. hol. S. Er is een slop in de weer, waar de katten deur kruipen.

— = Ruimte van plaats. Tusschen de kerk en ons huis is er een groot slop.

— = Ruimte van tijd. Ik schil vijf jaar met mijn broer, dat is geen klein slop.

— = Helderheid, klare plaats. De bui zal overgaan, er komt een slop in de lucht.

SLOS, z. nw., o.. — Z. Sloes. D.

SLOT, z. nw., o . - Z. Wdb..

Spr. : Iets in 't slotje, in de mouw, in de gaten, krijgen. Wij zullen u een slotje op den mond zetten , tot een kind dat te veel praat.

— = Afgesloten plaats in een klooster waar 't de vreemdelingen verboden is te gaan. C. D. S.

— --= Achterste, aars, van rundvee gezeid.

== (Breist.) Ieder der twee deelen binnen in de

slede die dienen om los of vast te breien.

SLOTENBLAZER. z. nw., m.. = Al lachende, schooier, bedelaar. D.

SLOTMES. z. nw., o.. = Knipmes. R.

SLOTSCHUIF, z. nw., vr.. = (Smid) Deel van het slot dat door den sleutel in- en uitgeschoven wordt, schoot, péne. D.

SLOTVAST, bijw.. = Zeer vast, onbeweegbaar. De steen viel en zat slotvast in de opening van den put. De regen zit slotvast in de lucht.

Bij V. : van een slot voorzien, door een slot gesloten .

SLUI(ER, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Den sluier hebben, bij de boeren, laatst zijn koren binnenhebben.

— = Gordelband van burgemeesters en andere overheden , écharpe. C, D. S.

— = Zwarte gordelband der priesters, singel, ceinture. C. D. S.

— = Vod, flard, 't Zijn al sluiers die aan heur lijf hangen.

SLUIEREN, werkw., onov. (hebben). — Iets laten sluieren, het uit zorgeloosheid uitstellen. C. D. S.

— = Langer duren dan noodig is. C. D. S. Als een proces sluiert, is er dikwijls veel aan den advokaat te betalen.

SLUISDEUR, z. nw., vr.. = (Dijkw.) Deur eener sluis die sluit bij opkomende en opent bij afgaande water. V..

SLUISHUISKEN, z. nw., o.. = Huizeken dat in de nabijheid der sluizen staat en waar al 't gereedschap van den polderman ingezet wordt.

Sluiten