Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SMIKKEN. werkw., onov. (hebben). — Komt voor in de gep. woord. : Smihken en smakken, zeer smakelijk eten.

SMISBALG, z. nvv., m.. = Blaasbalg der smis.

Spr. : Blazen gelijk een smisbalg.

SMISBED , z. nw., o . = Heerd der smis. C.

SMISTANG. z. nw., vr. = Smeetang.

SMITS(CH), bijv. nw., en bijw.. - Flets. K. smeis = proedulcis. O. Een smitsche smaak. Dat vleesch smaakt smits.

Bij D. en S. smetsch.

SMOEL, z. nw., vr. (niet m.). — Z. Wdb . Houd uw smoel. T. R.

Bij C. m. en vr..

SMOEL, bijv. nw.. = Heet, wat warmer dan zoel, van weer en lucht gezeid. D. S. K. tctpidus.O.

SMOEL, z. nw., vr.. = Soort van gurt, semoule. S.

Bij D. T. en R. smoelie; bij S. ook smoelie.

SMOELEKEN. z. nw., o . — In 't raadsel op de lamp :

Een blikken stoeleken,

Een vet smoeleken En een vet worstje.

SMOELEMENT. z. nw., o.. = Smoel, muil, mond. Nen slag op zijn smoelement krijgen.

SMOELPAP, z. nw., m.. = Kinderpap van smoel gemaakt. S.

D. smoeliepap ; bij S. ook smoeliepap.

SMOELTE , z. nw., vr.. = Zoelte. D.

SMOES. z. nw., m.. = Moes, marmelade. S De patatten zijn in smoes gezoden, 't Is niet beleefd van zijn patatten smoes te maken.

SMOESTEREN , werkw., overg.. = Kleinen, pletteren, tot moes maken. S. Gij meugt uw patatten niet smoesteren.

S. ook smuisteren.

SMOEZEN, werkw., onov. [hebben). — Praten, klappen. Kameraad, smoest eens, wij weten nog niet hoe uw stemme klinkt.

— onov. (hebben). = Smakelijk eten.

Bij T. smoesen, heimelijk eten ; bij R. smoezelen.

SMOK, z. nw., m.. = Mist, damp in de lucht.

Ook smokkel.

— Spotnaam, vuilaard, alleenlijk voor stoffelijke dingen.

SMOKACHTIG, bijv. nw.. - Mistig. Het weer is smokachtig.

SMOKEN, werkw., onov. (hebben). — In de gep. woord. : Koken en smoken, veel eten , veel verteren in 't eten. C. D.

SMOKKEL, z. nw., m.. = Die in 't eten zich bevuilt.

— = Vuilaard in't algemeen, vuile .werkman.

— = Mist; fijne regen. S. Daar valt smokkel.

SMOKKELACHTIG, bijv. nw.. = Regenachtig. S. Het is al heel de week des morgens smokkelachtig.

SMOKKELEN, werkw., onov. (hebben). = De tafel of de kleeren bemorsen als men eet. S. Ge smokkelt altijd als gij eet : heel de tafel is vuil.

— eenp. = Stofregenen. C. S. Ik draag geenen paraplu mee, want het smokkelt maar.

Bij D. smokelen.

SMOKKELEER (zware e), z. nw., m.. = Die onder 't eten zich bevuilt.

— — Vuile werkman.

SMOKKELING. z. nw., m.. = Brijzei, brokkeling. Daar liggen nog wat smokkelingen van kolen, geeft die aan de arme menschen.

— vr., enkelv., als verzamelw.. = Afval, overschot. Als ge van onder in den bak schavelingen tast, hebt ge niets anders als smokkeling.

SMOKKELPOT, z. nw., m.. = Tamelijk hoog aarden potje waar de kinderen soms uit eten.

— = Die bij 't eten zich zelf of de tafel bevuilt.

SMOKKELREGEN . z. nw., m.. = Motregen, dikke, natte mist.

SMOKKELSOEP, z. nw., vr.. — Z. Bronselsoep.

— = Al lachende, beer. Wij rijden om smokkelsoep, zeggen de boeren, als zij den beerbak opzetten.

SMOKKELWE DlER, z. nw., o.. = Weder waarbij het gestadig smokkelt. C.

Bij S. smokelweer.

SMOKKEN, werkw., onov., eenp. (hebben en zijn). — Misten. Als het hevig gesmokt is, kunnen de schepen maar dicht tegen den kant varen.

SMOOR (scherpe o), z. nw., m,. = Mist, damp in de lucht. C. D. S. K. vapor.

SMOORACHTIG, bijv. nw.. = Mistig. C. D. S. 't Is gewoonlijk smoorachtig veur den Winter.

SMOORDER, z. nw., m.. = Rooker, fumeur. D.

SMOOREN , werkw., overg.. = Rooken. C. D. S. Een pijp smooren.

Zuidned. bij V..

— onov., eenp. (hebben en zijn). — Misten. C. D. S. K. vaporare. Het heeft dezen morgen fel gesmoord.

SMOORGERIEF, z. nw., o.. = Benoodigdheden van den rooker. C.

SMOORIG, bijv. nw.. — Mistig, dampig, van het weder gezeid. D. Het weer is smoorig. Het is een smoorige dag.

SMOORLOCHT, SMOORLUCHT. z. nw., vr. en m.. = Mistige luch{. C.

Sluiten