Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun werk er aan vastzetten en dit door het verhandelen en vervoeren der korven niet gekrenkt worde.

Ook opstehhen.

SPIN. z. nw., vr.. — Z. Spendeken.

SPINAAL, z. nw., o.. = (Schoenmak.) Geel of wit garen dat veel gebruikt wordt om het binnenwerk te naaien en waar de pekdraad van gemaakt wordt. V. D.

Ook spinaalgaren.

SPINAALGAREN. z. nw., o.. — Z. Spinaal.

SPINBAAN, z. nw., vr.. = Lange baan, overdekt of open, waarlangs de zeeldraaier zijne draden spint of die tot touwen draait.

SPINDER, z. nw., m.. = Zeeldraaier.

SPINDERIJ. z. nw., vr.. --- Spinnerij, zeeldraaierij.

SPINMEULEN, z. nw., m.. = Spinmachine.

SPINNEKOP, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Raadsel:

'k En koop, 'k en zaai, 'k en trek geen vlas.

Ik spin alleen van mijn gewas

En 'k spin zoo fijn als 't fijnste wijf,

Enkel veur mijn zelfbedrijf.

— Bijgeloovige spreuk :

's Morgens druk,

's Noens geluk,

's Avonds min :

Dat heeft de spinnekop in.

SPINNEKOPPEN , z. nw., vr., meerv.. — Z. Blauwe spinnen. C.

SPINNEKOPNET, z. nw., vr.. — Spinneweb. S.

Spr. : Geen spinnekopnetten in den bol hebben, verstandig , slim zijn.

SPINNEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Een aardig ol vies wezen spinnen, trekken.

SPINNEWIEL, z. nw., o.. — Z. Wdb..

— = Speelzot kind, dartel meisken, wondere vrouw. C. Dat spinnewiel is gedurig aan 't draaien en keeren.

SPINNEWIELNAGEL. z. nw., m.. - Z. Schoennagel.

SPINNING, z. nw., vr.. = Tijd , plaats voor het spinnen van het vlas. Vroeger gingen de jonge dochters geren naar de spinning. C. S.

SPINPLAATS, z. nw., vr.. = (Tabakfabr.) Plaats waar de spinders zitten.

SPINROK, z. nw., m. (niet o.). —Z. Wdb.. D.

Bij D. ook vr..

SPINROKSKENS. z. nw., o., meerv.. — Z, Marias spinrok.

SPINTAFEL, z. nw., vr.. = Werktafel van den tabakspinder.

SPINTOEBAK . z. nw., m.. = Tabak dienende om gesponnen en tot rollekens gedraaid te worden.

SPIOEN, z. nw., m.. = Spion , bespieder. D. S. R.

— = Spiegel die aan de straatvensters der rijken hangt. S.

SPIRITUS, z. nw., m.. = Geest, verstand. R. Daar zit geen spiritus in dien vent.

— = Persoon met verstand. Dat is een spiritus !

SPIT. z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Mijn cenzen zijn aan' t spit. ik ben mijn geld kwijt, mijn geld is op', verteerd.

SPITS, bijv., nw.. Hoogmoedig, fier. K. arrogans, superbus. Het is een spitse kerel.

Bij S. : « scherp of vinnig van gemoed en van taal. »

SPITS. z. nw., m.. = Beslagmaker, windmaker, fis.

— — Hond met afgesneden ooren en steert, courtaud. C.

— Naam van zulke honden. C.

— = Jongen die kort, klein is voor zijne jaren.

Ook stoep.

— = (Schipp.) Groot ijzeren vrachtschip dat van vorm zeer wel op een walenschip gelijkt. De spits voert geen tuig en wordt gewoonlijk gesleept.

SPITSPIJN. z. nw., m.. = Amerikaansch dennenhout , pitchepine.

SPITSPIJNEN, bijv. nw.. = Van spitspijn. Spitspijnen hout.

SPLEET (zachte e). z. nw., vr.. = Kier. C. T. R. Zet de deur met een spleet open.

SPLENTER, z. nw., m.. = Splinter. D. K. assula. O. Er zit een splenter in mijnen vinger.

Ook splinster.

— Z. Harp.

— Z. Musschebek.

Ook splinster en splinter.

— = (Smid) Kleine uitstekende vezel in het ijzer.

— altijd in 't meerv.. — Z. Piet, geld.

Bij V. splitit.

SPLENTEREN. werkw., overg. en onov. (hebben en zijn). = Splinteren, fendre, se fendre. De warmte splentert het hout. Dat hout splentert veel.

— onov. (zijn). — Vertakken. Het vlas begint te splenteren.

SPLENTERNIEF. bijv. nw.. = Splinternieuw.

SPLETTEN. werkw., overg.. = Splitten, splitsen. D. K. finder e.

SPLETTEREN. werkw., onov. (hebben en zijn). = Splinteren. Dat hout splettert licht, als men het kapt.

— = Vertakken, in takken splijten. Het vlas splettert.

Sluiten