Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STALBEEST. z. nw , vr.. = Hoornbeest die op stal gevoed en gevet werd , in tegenstelling met garsbeest of weibeest. C.

Het vleesch der stalbeesten is malscher dan dat der andere,

STALGOED, z. nw., o.. —Z. Kreekgoed.

STALLING, z. nw., vr.. — Z. Stalage. O.

STALMES, z. nw., o. (niet m. . = Stalmest. C.

STALROK. z. nw., m.. = (Boer) Versleten rok dien de boerin aandoet, wanneer zij in den stal moet werken.

STALSCHOEN. z. nw., m., in 't meerv.. —. (Boer) Versleten schoenen die de boer en de boerin aanhebben als zij in den stal moeten werken.

*

STALSPOOK (soms scherpe, soms zachte o), z. nw., o.. = Spook dat, zeggen ze, des nachts de beesten den nek omwrong en de koeien met hunnen steert aan de kippen en de kribben vastbond. (!)

STAM. z. nw., m.. — Z. Wdb..

— Op stam vevkoopen, boomen verkoopen , die nog te wassen staan.

STAMENEE. z. nw., o.. = Estaminet. C.

Op stamenee gaan, in de herbergen gaan drinken , praten en spelen.

STAMMEN, werkw., overg. - Eenige stammen of stengels afrukken. De patatten worden gestamd, als er aan eenen struik te veel pijlen uitschieten.

STAMP. z. nw., m.. = Stoot, het zij met de hand. het zij met den voet of iets anders. Ik kreeg 'nen stamp dat ik omverre vloog.

Bij C. en D. : « harde stamp met hiel of voetzool. »

= (Breister) Tuig dat heen en weer geduwd wordt om zoo de verschillige patronen te maken.

— Zware boom die op eenen tap uitgaat en op de lijnzaadkoeken nederbonst om ze nog eens te breken.

Ook en meest stamper.

STAMPBAK. z. nw.. m.. .= (Boer) Bak waarin ' de koejongen met eene spade de rapen in stukken stampt, bij gebrek aan eenen raapmeulen.

STAMPEN, werkw., overg.. == Stooten, met de voeten , met de hand of anders.

Gep. w. : Stampen en stootin.

— Z. Gestampt.

Spr. : Hij was gelijk een gestampte duvel, zeer kwaad.

— = Met den stamper bewerken. Moortel stampen. ' Als ge 'nen vloer legt, moet ge zorgen dat de grond goed gestampt wordt. g

— Zaad stampen, olieslaan. D. S.

) STAMPER, z. nw., m.. — Z. Wdb.. t —= Olieslager S.

— = Moortelstamper.

t — Z. Stamp.

STAMPKOT, z. nw., o.. — Z. Roskot. S.

Gewest, bij V..

STAMPMEULEN. z. nw , m.. = Stampmolen, oliemolen. Van verre hoort ge de heien en stampers van den stampmeulen gaan.

STANDERKEN, z. nw., o.. — In 't raadsel op 't ei :

Een ronderond standerken Zonder holleken of bandeken.

öT AND VLIET, z. nw., m.. = Vooruitspringend deel muur. K stand-vincke, stand-vliet dev schonden = antes camim. Aan de oude schouwen zijn twee standvlieten.

Bij D. standfijke.

STANGEH. z. nw.. m.. = Ieder der gekromde ijzers eener wipte waar de zijvogels en de kallen op staan.

— Z Strangel C.

Bij V. stang.

STANK. z. nw., m.. — Z. Wdh..

Spr. : Stank veur dank krijgen, met ondankbaarheid beloond worden.

STANT, z. nw., m.. —Constant verkort. C. STANTIE. z. nw., vr. — Constantia verkort. STAP, z. nw., m.. — Z. Wdb..

— Op stap gaan, stapvoets gaan , van menschen en peerden.

STAPEL, bijw.. = Vast, zeker. Hij zal geen verliezen lijden, want hij staat stapel in zijne zaken.

STASCHAPRA DE), z. nw., vr., = Schaprade die op den vloer staat, in tegenstelling met /iangschaprade, die aan den muur hangt.

STATIE, z nw., vr.. = Station , spoorh'alle. C. S. Zuidned. bij V..

STEDE, z. nw.., vr.. — Ter stede, ter juister plaats. Iets ter stee wegleggen.

STEEG (zachter), bijv. nw. en bijw.. = Dat weerstand biedt, dat niet medewil, waar men moeielijk in, over- of doorschuift. C. D. Nat hout is steeg om schaven.

— Steeg van afgang zijn, i« moeilijke buikontlasting hebben ; 20 gierig zijn, traag in 't geven.

— = Koppig, stug, wederspannig. C. D. K. obstinatus. O. De boeren waren steeg om hun patatten te verkoopen.

STEEGER , z. nw., m.. = Walg. Nen steeger van visch hebben.

STEEGEREN, werk. onov. (hebben). = Doen walgen , sprek. van spijzen , donner des nausées. S.

Sluiten