Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stoombooten , waar de stierman plaats neemt om i het schip te stieren. j

STIEREN, werkw., overg.. = Sturen. Z. Wdb.. , D. K. ducere. O.

I

STIERIG, bijv. nw.. = I.oopsch. C. De koe wordt stierig.

STIERKETTING, z. nw., m.. = (Schipp.) Ketting die de beweging van het stierrad aan het roer overbrengt.

STIERRAD. z. nw., o.. = (Schipp.) Stuurrad.

STIERSTAL, z. nw., m.. = Bijzondere stal voor den stier op eene hoeve.

STIET, z. nw., m. (niet vr.). = Stuit der vogels. C. K. uropygium. Het sijsken heeft brand op zijnen stiet.

Zuidned. bij V..

— = Brand op den stiet, ziekte. C. S. Mijn musch die zï>o tem was, is van den stiet gestorven.

STIJF, bijv. nw., en bijw.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo stijf als een stok, als een berd, als een horde, van de ledematen.

STIJFGAWEG, STIJFWEG, bijw.. — Ge moest gezien hebben hoe stijfgaweg dat hij dien zak oppakte.

STIJFHAND (klemt, op stijf), z. nw., vr.. — Z. Knapper/and.

STIJ(F,SELBLOM. z. nw., vr.. = (Kruidk.) Mariakloksken, Campanula grandis alba, cloche , fam. Campan..

STIJ FjSELHOOREN. z. nw., m.. — Z. Hooren. i°.

STIJFZETTEN, werkw., overg . — Z. Botsteken.

STIJN, z. nw., m.. —Augustien verkort. S.

STIJNEZEL, z. nw., m.. — Z. Steenezel. S.

STIJSEL, z. nw., o. enm.. = Stijfsel.

STIJSELEN, werkw., overg.. = Stijfselen.

STIJVEN, werkw., overg.. — Z. Wdb.. Een overhemd stijven.

Spr. : Zijnstreng stijven (spannen), al zijn krachten inspannen.

— tusschenw. (zijn). = Stijf, vast worden. De pap begint te stijven.

STIJVERIK. z. nw., m.. = Die stijf is van manieren en handel. C. D. S. R.

STIK, z. nw., o.. = Stuk, morceau. D. S. Iets in stikken vaneentrekken.

— In 't raadsel op den haan :

Mijnheer van Pikken Heeft een kleed van honderdduzend stikken , Het is gemaakt zonder naald of draad.

Wie is er die het graadt ?

STIKDUIG , z. nw., vr.. — Z. Spanduig. STIKELS, z. nw., vr.. — Z. Spanels.

STIKIJZER, z. nw., o.. — Z. Rits.

STIKKEN, werkw., onov. (zijn). — Z. Wdb..

— Stikkend heet, zeer heet.

STIKLIJF, z. nw., o.. = Deel van 't kleed dat het bovenlijf der vrouw dekt en gestikt is. In de andere eeuw droegen ze stiklijven op hun beste.

STIL. bijv. nw. en bijw.. —Z. Wdb..

Spr. : 't Is stil waar 't nooit en waait, overal is er al eens wat twist. Stille waters hebben diepe gronden, 't Is in' t stilste van de mis , zegt men, als ieder in 't gezelschap zwijgt. Zoo stil als een graf, als een muisken.

— Z. Redelijk. C. D.

— Stille arme, arme die door bijzonderen , niet door het armbestuur, geholpen wordt.

— Stil water, tijdruimte tusschen ebbe en vloed wanneer het water eenigen tijd noch daalt noch klimt, ook stilstaande water geheeten.

— = Zedig, tegenovergestelde van piereldsch. C. D. S. R. K. modestus. Het is een stil meisken , ge moogt ze stout tot meisen nemen. Zij is stil gekleed , al is zij de rijkste van het dorp.

— = Langzaam. C. S. Als ge stil gaat, zulde er niet komen.

_ = In 't geheim. V. C. O. Hij is dezen nacht heel stil vertrokken.

Meest stillekens.

— Iets stil houden . geheim houden. C. D. R.

— In 't stil, in 't geheim. C. D. Hij is dezen nacht in 't stil berecht.

STILLEKENSAAN, bijw.. — Redelijk, met goed en ook niet slecht. Hoe gaat het met t leven ? — Stillekensaan.

Bij R. stilaan.

STING, z. nw., vr.. = Wip. Naar de sting schieten.

— = (Schipp.) Mast die op een anderen mast staat en kan verhoogen of verlagen.

STINKAARD, z. nw., m.. = Ondeugend kind.

— = Marollenkaas , Brusselsche kaas.

, STINKAARDS, z. nw., m., meerv.. — Z. Flaweelken.

< STINKEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Wdb..

Spr. : Stinken gelijk een bok, gelijk de pest. Een uur tegen wind stinken, zeer hevig. Eigen lof stinkt.

— Al stinkende, beschaamd, teleurgesteld. D. S. Hij meende iets te krijgen, maar hij kwam al stiri-

1 kende weer.

STINKENDE GOUDBLOM. z. nw., vr.. — Z. Gele knoopenbloem.

STINKENDE VERGOUW, z nw., vr.. = Gouwe , Chelidonium majus, grande chelidoine, eclaire, fam. Papov..

Sluiten