Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STINKER, z. uw., m.. — Smaadnaam van iemand die eerloos, trouwloos of onbeschoft is. C. D. S. R. Gij leelijke stinker.

— Komt ook in de spreuk : Zijnen stinker in zijn gat trekken, beschaamd heengaan.

STINKKAAS, z. nw., m.. = Marollenkaas, Brusselsche kaas.

Soms ook stinkaard.

STOEFEN. werkw., onov. (hebben). = Stoffen, pochen, snoeven. C. T. R. Hij stoeft geweldig, ge meugt hem in alles niet gelooven.

— Op iets of iemand stoefen . er op roemen , grootelijks loven. C. Een meester mag op zijn leerlingen niet stoefen, als zij er bij zijn.

STOEFER, z. nw., m.. == Pocher, snoever. C.

STOEL, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Iets onder stoelen noch banken steken, niet verzwijgen, nief verduiken. Stoelen draaien is ruzie zoeken, 's Avonds stoeleken, zit nog wat, en 's morgens, beddehen, lig nog wat, op lange slapers.

— — (Tabakfabr.; Houten tuig waar de hasp in draait.

— (Mets.) Gestel waar men den te laden mortelbak of de steenmande op plaatst.

— De stoel van een mijt is de onderste laag, gewoonlijk van stroo of knuppels gemaakt, om het onderste graan tegen vochtigheid te vrijwaren.

— = Houten gestel waar eene klok in hangt.

— Stoelekens, o., meerv.. Z. Schraafstelling.

— Z. Rooster. C. T. R.

— Stoeleken hutsekluts. Kinderspel. Eenige kinderen zitten allen, behalve één, op stoelen, en op het roepen: Stoeleken, stoeleken hutsekluts l veranderen zij allen van plaats. Die geenen stoel heeft, blijft te midden staan en roept weer de bovenstaande woorden.

Dit spel wordt soms ook gespeeld op de vier hoeken van een groot vierkant. Eén staat te midden en roept dezelfde woorden. Ieder verwisselt dan van plaats en die geenen hoek heeft, staat te midden.

STOELEKENSZETSTER. z. nw., vr., STOELEKENSZETTER , m.. — Z. Stoelenzetster.

STOELEN VLECHTER . z. nw., m.. = Stoelenmatter.

STOELENZETSTER , z. nw., vr., STOELENZETTER, m.. =.- Hij of zij die in de kerk de stoelen zet en het stoelgeld ontvangt.

STOEP. z. nw., m.. = Homp, uitgerooide boomwortel. Leg eenige stoepen aan 't vuur, 't zal dan beter branden.

— Z. Spits.

— Stoepken schieten. Z. Kalleken schieten.

STOF. z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Iemand het stof uit zijnen kazak kloppen, slagen geven. Achter 't stof komt het grof, zeggen ze,

als het zachtjes begint te regenen. Stof noch duur hebben, geen geduren , geen geduld meer hebben. Kort van stof zijn. Z. Kort.

STOFFEL, z. nw., m.. — Smaadnaam, ongewillige , weerspannige. S.

Ook wringer.

Spr. : Er op slaan gelijk Stoffel op zijn kat, geweldig.

STOFFELIER, z. nw., m.. — Z. Gele stoffeller.

STOFFELIJN , z. nw., vr.. - Spook ,waar men de kinderen bang mede maakt. Het kapt de handen af.

STOFNAT, z. nw., o.. = Stofregen , uitvallende mist. Er valt stofnat.

STOFVODDE , z. nw., vr.. = Doek of vod , gebruikt om het stof van de meubels te vegen. C.

STOK , z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr.: Mager, stijf als een stok. Stokken in 't wiel steken, iemand dwarsboomen. Die verder springt als zijn stok lang is, valt in den gracht, doet ge te groote onkosten , ge gaat ten onder. Steunen op 'nen gebroken stok, betrouwen op iemand of iets waar niet op te rekenen is.

— Z. Staak (Bieman).

STOKROON. z. nw., vr.. = Prinsesboon die, door stokskens ondersteund, maar eene goede vuist hoog groeit.

STOKER , z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Van stokers hond gebeten zijn, te veel genever gedronken hebben.

STOKKERLIND, bijv. nw.. == Steekblind, zeer blind. Zijt gij stokkeblind dat ge dien cent daar vóór u niet liggen ziet ?

STOKKEDOOD . bijv. nw.. = Stokdood. D. Die mensch zal hem nog stokkedood werken.

STOKKERACHTIG, bijv. nw.. = Stijf en dik, van het vlas gezeid. Het stokkerachtig vlas staat gewoonlijk dun.

STOKKESTIJF, bijv. nw. enbijw.. = Zoo stijf als een stok, stokstijf. Hij is stokkestijf van 't zwaar werken. Stokkestijf staan.

STOKS, bijw.. — Z. Staaks.

STOKSEL, z. nw., o.. — Stooksel, hout, krullen, kolen, al wat dient om te stoken. S. T. R.

STOKSTIL, bijv. nw. en bijw.. = Zeer stil. O. De jager stond stokstil als hij ging schieten.

STOKVERF, z. nw., vr.. = Stopverf. C.

Gewest, bij V..

STOKVIER, STOKVUUR, z. nw., o.. — Z. Stookvier.

STOKVISGH. z. nw., m.. - Z. Wdb..

Spr. : Zoo droog als een siohvisch. Spel daar stok-

Sluiten