Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rol waar de pannen effen en gaaf mee gemaakt worden.

— = Strekel, doornlaren of elzen knuppel waar de blokmaker zijne messen en de boer zijne zeis mede wet. C. S.

Ook strijksteh en strijkstok.

STRIJKHOUT. z. nw., o.. = (Timm.) Steunbalk, dienende om de einden der vloerribben te ondersteunen , wanneer deze in den muur niet zitten of op de balken niet dragen. C.

Bij D. : lange horizontaal liggende spar die in de stelling de staanders rechthoudt.

STRIJKKLAVER , z. nw., vr.. — Z. Eerdklaver.

STRIJKLAP, z. nw., m.. =(Blokmak.) Lederen lap om de messen op te strijken.

— = (Schoenmak.) Stuk malsch overleder gebezigd om den hars op den draad overal gelijk te verspreiden.

STRIJKPLAAT, z. nw., vr.. = (Boer) IJzeren plaat waar de slede van den ploeg op glijdt.

STRIJKPLANK, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo effen als een strijkplank.

— (Steenbakk.) Strijkplanksken, o., effen planksken dat de steenbakker gebruikt om de plaveien, enz.. in den vorm effen te strijken.

STRIJKSAARGE, z. nw., vr.. = Deken die men spreidt over de tafel waar men op strijkt. C.

STRIJKSCHROO(DE), z. nw.. = Vodde, lap waar de strijkster het ijzer mede vastneemt.

Ook strijkvodde.

STRIJKSEL, z. nw., o.. — In de uitdrukk. : Er een strijksel mee aanhebben , in iets mislukken , in eene verwachting , in een werk teleurgesteld worden.

STRIJKSTER, z. nw., m.. —Z. Strijker, 2°.

STRIJKSTOK, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Daar zal van dit erfdeel veel aan de maat en den strijkstok blijven hangen.

— Z. Strijker, 2°. S.

STRIJKVIJL, z. nw., vr.. = (Schrijnw. en Zager) Vijl met eene kleine houten handhave, gebruikt om over de zaag te glijden ten einde de tanden dezelfde hoogte te geven.

STRIJKVODDE, z. nw., vr.. —Z. Strijkschroode.

— Z. Strijklap.

STRIK, z. nw., m.. — Z. Boekweitwinde.

STRING, z. nw., vr.. = Streng, streen. D. K. ligamen.

STRING, bijv. nw. en bijw.. = Streng.

STRINGER, z. nw., m.. — Z. Strenger.

STRIP, z. nw., m.. = Fijne geut, straal. D. S.

Spr. : De leste strip is de boterknip, bij 't laatste melken komt er meest boter mede.

STRIPACHTIG, bijv. nw.. — (Vlas) Stripachtig vlas, zeer licht in den kop.

— (Boer) Stripachtige koe, wier melk stript of met een fijnen straal afkomt.

STRIPPEN, werkw., overg.. = Iets tusschen de vingers , de nagels of de tanden trekken, bijz. om er de oneffen deelen of steerten van af te scheiden. C. D. Strip de minnekens van het gars.

Bij D. ook streppen.

— = (Balspel) Eenen bal zoo leveren dat hij laag vliegt en moeilijk om raken is.

— = (Naaister) Opgehaald goed met eene speld of naald in plooikens trekken.

— = Met een fijnen straal doen spatten, of spatten. Die koe stript heur melk. De melk kwam maar al strippende af.

STRIPVLAS, z. nw., o.. — (Boer) Z. Stripachtig, i°.

STROBBELEN. werkw., onov. (hebben). = Verstopt zijn, gestremd, belemmerd zijn. De buis strobbelt als er te veel papier deur loopt.

— = Stilliggen , geschorst zijn , niet vooruitgaan. Uw zaak strobbelt, omdat ge niet overeenkomt.

STROELEN. werkw., onov. (hebben). = Gemeenzaam, pissen. C. D. S.

Zuidned. bij V..

STRONT, z. nw., m. (niet vr.). — Z. Wdb..

Spr. : Er is stront aan 't stoksken, de zaak deugt niet. Hoe meer men aan 'nen stront roert, hoe meer hij stinkt, blijf verre weg van ondeugende lieden. Weggaan zonder hond of stront te zeggen, zender spreken. Een stront op 't land is een stuiver in de hand. Hij zou zijnen stront twee keeren eten, is zeer gierig. Stront, wie heeft er u gescheten ? zeggen de ouders soms tot hunne kinderen. Als de wind daar blijft zitten, zal het stront regenen , als iemand een vuilen wind laat. Van boven pront tn van onder stront. Z. Pront.

— Om van iets of iemand met verachting te spreken, voegt men stront vóór den naam. C. T. R. Strontjongen, strontmes, strontmeisen, strontpen, enz..

STRONTBEEST, z. nw., m.. — Smaadnaam voor mannen en jongens. Gij strontbeest van nen jongen.

STRONTBIE. z. nw., vr.. Strontvlieg, rosse en groote vlieg "die in den Zomer met hoopen op de uitwerpselen en mesthoopen zit. Ze is altijd aan 't wippen met haar achterlijf en heeft geen straal.

STRONTIG, bijv. nw.. — Z. Wdb..

Wordt veel gebruikt om van iets of iemand met

minachting te spreken. Die strontige plank ligt altijd in mijnen weg.

STRONTJONGEN, z. nw.. m.. — Smaadnaam tot eenen knaap.

STRONTRAPER. z. nw., m.. = Iemand die

Sluiten